11.4 Je lijkt op


11.4 Je lijkt op.......
1 / 48
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson


11.4 Je lijkt op.......

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Programma

  • Lezen 11.4 - deel 1 ( t/m het kopje “waarom lijk je op je ouder?”
  • Herhaling 11.3
  • Theorie 11.4 (deel 1)
  • Verwerking 11.4 ( 1 t/m 13)

timer
7:00

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Vanaf welk moment zijn meisjes en jongens vruchtbaar?
A
Meisjes ongeveer vanaf eerste menstruatie. Jongens hun hele leven.
B
Meisjes en jongens hun hele leven.
C
Meisjes ongeveer vanaf eerste menstruatie. Jongens vanaf hun eerste zaadlozing.
D
Jongens vanaf hun eerste zaadlozing. Meisjes hun hele leven.

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Tot wanneer zijn meisjes en jongens vruchtbaar?
A
Beide tot ongeveer 50, de overgang.
B
Dat ligt eraan hoeveel zaadlozingen een man heeft. Vrouwen tot de overgang.
C
Vrouwen en mannen tot ze dood gaan.
D
Vrouwen tot de overgang en mannen tot ze dood gaan.

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Wat gebeurt er met een eicel als deze niet bevrucht wordt?
A
Die verlaat het lichaam via de menstruatie. Dat is het rode wat je ziet.
B
Die blijft in leven tot de volgende eicel gaat rijpen
C
Die verandert in het gele lichaam
D
Die sterft af en wordt opgenomen door het lichaam van de vrouw

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

De hoeveelheden zuurstof, koolstofdioxide en glucose in het bloed van een navelstrengader worden vergeleken met die in een navelstrengslagader.

Welke van de volgende stoffen komt of welke komen in het bloed van een
navelstrengslagader in hogere concentratie voor dan in het bloed van een navelstrengader?

A
Alleen zuurstof
B
Alleen koolstofdioxide
C
Zuurstof en glucose
D
Koolstofdioxide en glucose

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Leerdoelen
  • Waar zit jouw  bouwbeschrijving.
  • Hoe zitten de eigenschappen op de chromosoom
  • Waardoor lijk je op je ouders
  • Zijn alle eigenschappen erfelijk

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Slide 8 - Video

This item has no instructions

Waar zit jouw bouwbeschrijving
Chromosomen: draden in de kern van elke cel.

Je hebt 23 chromosomenparen, 23 van je vader en 23 van je moeder. Er zitten dus 46 chromosomen in elke cel.

Alle chromosomen samen noem je het genoom.

Chromosomen bestaan uit DNA.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Waar zit jouw bouwbeschrijving
Alle chromosomen netjes gerangschikt per paar.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

DNA
DNA: stof waaruit je chromosoom bestaat
DNA bevat alle informatie om jou te maken
De informatie op het DNA is verdeeld in stukjes: de genen. Bijv voor haarkleur, oogkleur, etc.

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Slide 12 - Video

This item has no instructions

Waardoor lijk je op je ouders?

In voortplantingscellen  zitten 23 chromosomen,

Wanneer de kern van de eicel en de kern van de
zaadcel (de bevruchting) samensmelten,
heb je 2 x 23 = 46 chromosomen. 

Je krijgt dus de helft van de chromosomen van
je vader en de helft van je moeder.
Omdat de eigenschappen in deze chromosomen
zitten lijk je dus op je vader en op je moeder.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Gewone cel
Eicel
Zaadcel
Gewone cel
Bevruchting
Bevruchte eicel

Slide 14 - Drag question

This item has no instructions

Ben je een jongen of een meisje?

Alle chromosomen hebben een 'partner' en vormen samen een paar.
Je hebt dus 46 chromosomen en 23 chromosoomparen.

22 van deze paren zijn nagenoeg hetzelfde.
Het 23e paar kan twee vormen hebben: een X-vorm en een Y-vorm.
XX = het een vrouw.
XY = het een man.
De X en Y chromosomen noem je geslachtschromosomen.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Ben je een jongen of een meisje?

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Slide 17 - Slide

Wat is de kans op een jongen of een meisje. In de vorige paragraaf hebben we het gehad over de geslachtschromosomen, hier staat de informatie voor jongens of voor meisjes op. Vrouwen zijn altijd Homozygoot voor deze chromosomen. (XX) en mannen zijn altijd XY. De zaadcellen van de man bevatten daardoor of een X of een Y chromosoom. Het is 50% kans welke de eicel bevrucht. De X is het een meisje, de Y is het een jongen. 
Een jongen of een meisje?
Vrouw is XX. Een eicel kan alleen een X bevatten.
Man is XY. Een zaadcel kan zowel X als Y bevatten.

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Waardoor wordt het geslacht van de baby bepaald?
A
De zaadcel
B
De eicel
C
Door zowel de zaadcel als de eicel
D
Geen idee

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Nu...
Maken 1 t/m 13

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Programma

  • Lezen 11.4 - deel 2 ( vanaf het kopje “Hoe zitten de eigenschappen op de chromosomen?"
  • Herhaling
  • Theorie 11.4 (deel 2)
  • Verwerking 11.4 ( 14  t/m 24)

timer
7:00

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

DNA
chromosoom
celkern
cel

Slide 22 - Drag question

This item has no instructions

Dit is de chromosomenkaart van een ....
A
vrouw
B
man

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Hoeveel chromosomen heeft de mens?
A
46 paren dus 92 in totaal
B
23 chromosomen, 46 paren
C
23 paren dus 46 in totaal
D
44 paren, 22 chromosomen

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Van klein naar groot
A
gen - DNA - chromosoom - celkern
B
DNA - gen - chromosoom - celkern
C
gen - chromosoom - DNA - celkern
D
DNA - chromosoom - gen - celkern

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Genotype en fenotype
Op het DNA staat informatie over verschillende onderdelen: de genen. Bijv. haarkleur, oogkleur, etc.

Een gen wordt gebruikt om een specifiek eiwit te maken.

Het eiwit wordt gebruikt om iets te maken. Bijv. een pigment voor jouw haarkleur.

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Genotype en fenotype
De informatie op het gen kan net een beetje verschillen.

Daardoor wordt er een ander eiwit gemaakt.

Hierdoor kan je een andere haarkleur hebben.

De verschillende versies van een gen, noem je een allel of allelen.

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Genotype en fenotype
De informatie op jouw genen noem je je genotype.

Wat je ziet van een bepaalde eigenschap noem je je fenotype.
Bijv. blauwe ogen, bruine ogen, wel bepaalde ziekte of niet, etc.

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Allel 

Allel: variant van een gen. 
Daardoor lijk je niet voor 100% op je vader of moeder. Allelen zorgen ervoor dat er variatie ontstaat. De dominante allel wint

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Slide 30 - Link

This item has no instructions

Heb je al je eigenschappen van je ouders geërfd?

  • Eigenschappen als oog- en huidskleur worden door je chromosomen (dus je DNA) bepaald.  Dit zijn erfelijke eigenschappen.
  • Ergens heel erg goed in zijn, zoals voetbal is gedeeltelijk erfelijk. Dit noem je aanleg.
  •  Niet-erfelijke eigenschappen  worden helemaal bepaald door je omgeving.

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Slide 32 - Video

This item has no instructions

Aangeboren aandoeningen
Aangeboren aandoeningen kunnen door verschillende oorzaken ontstaan:
  • "Fout" in chromosomen of genen
  • Te veel chromosomen: syndroom van Down (vader of moeder geeft 2x chromosoom 21. Hierdoor zijn er daarvan uiteindelijk 3 ipv 2)
  • Genen zijn beschadigd


Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Huidskleur
A
Erfelijk
B
Niet-erfelijk
C
Aanleg

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Paars haar hebben.
A
Genotype
B
Fenotype

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Heel creatief zijn
A
Erfelijk
B
Aangeboren
C
Aanleg

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Welke geslachtschromosomen hebben jongens?
A
XX
B
XY
C
YY

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Welke van de vier beweringen over geslachtschromosomen is juist?
A
geslachtschromosomen komen voor in alle cellen
B
Geslachtschromosomen komen alleen voor in voortplantingscellen
C
Alle chromosomen in een voortplantingscel zijn geslachtschromosomen
D
Alle chromosomen in alle cellen van de voortplantingsorganen zijn geslachtschromosomen

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Welke geslachtschromosomen kunnen niet voorkomen
Je ziet hier de chromosmen van een.....?
A
Gewone lichaamscel
B
Geslachtscel

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Een allel is een variant van een.......
A
fenotype
B
DNA
C
gen
D
chromosoom

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

Welke stelling is juist?
A
Fenotype = genotype + milieu
B
Milieu = genotype + fenotype
C
Genotype = fenotype + milieu

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions

Hiernaast zie je een chromosomenportret. Heeft deze persoon het syndroom van Down?
A
ja
B
nee

Slide 42 - Quiz

This item has no instructions

Je kunt het genotype van de mens aanpassen
A
waar
B
niet waar

Slide 43 - Quiz

This item has no instructions

Is het fenotype gelijk gebleven?
Is het genotype gelijk gebleven?
A
1. Nee 2. Ja
B
1. Nee 2. Nee
C
1. Ja 2. Nee
D
1. Ja 2. Ja

Slide 44 - Quiz

This item has no instructions

Heeft een vlinder hetzelfde fenotype als de rups waaruit hij is ontstaan?
En hetzelfde genotype?
A
alleen hetzelfde fenotype
B
alleen hetzelfde genotype
C
zowel hetzelfde fenotype als hetzelfde genotype

Slide 45 - Quiz

This item has no instructions

Hoe is het fenotype bepaald?
Alleen door het genotype
Alleen door de omgeving
Door het genotype EN de omgeving
een wipneus
stijl haar vanaf de geboorte
een piercing 
behaarde armen
een litteken
Wibi kan goed piano spelen
eelt op je handen door hard werken
blauwe ogen
Messi is een goede voetballer

Slide 46 - Drag question

This item has no instructions

Er is een verband tussen het aantal chromosomen dat een organisme in zijn cellen heeft en de intelligentie van het organisme
A
waar
B
niet waar

Slide 47 - Quiz

This item has no instructions

Samenvatting
Je hebt geleerd waardoor je op je ouders lijkt.
Je hebt geleerd hoe eigenschappen worden doorgegeven.
je hebt geleerd hoe aangeboren aandoeningen ontstaan.

Slide 48 - Slide

This item has no instructions