Disco hfst 26 afronden tekst 26.A

klas 3 Latijn
dinsdag 18 mei
1 / 30
next
Slide 1: Slide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

klas 3 Latijn
dinsdag 18 mei

Slide 1 - Slide

Programma
nakijken 26.A tweede helft
herhaling quis/quid en qui/quae/quod
uitbreiding vertaalregels coniunctivus
overzicht vertaalregels coniunctivus bijzin
oefenen
afronding

Slide 2 - Slide

Doelen
je weet waaraan je een coniunctivusvorm herkent
je kunt een werkwoordsvorm benoemen

je kent de vertaalregels voor de coniunctivus

Slide 3 - Slide

Nakijken tekst 26.A

Slide 4 - Slide

betrekkelijk en vragend vnw
quis, quid = wie, wat (vragend)

qui, quae, quod = 1. welke (vragend) 2. die, dat, wie, wat (betr.)

Slide 5 - Slide

voornaamwoord
gen ev =
dat ev =

Slide 6 - Slide

uitgang gen ev = ...

Slide 7 - Open question

uitgang dat ev = ...

Slide 8 - Open question

qui M ev
nom
gen
dat
acc
abl
cui
quem
quo
cuius
qui

Slide 9 - Drag question

qui M ev
nom. qui
gen. cuius
dat. cui
acc. quem
abl. quo

Slide 10 - Slide

qui M mv
nom
gen
dat
acc
abl
quibus
qui
quos
quibus
quorum

Slide 11 - Drag question

qui, quae, quod M ev
nom. qui
gen. cuius
dat. cui
acc. quem
abl. quo
M mv
nom. qui
gen. quorum
dat. quibus
acc. quos
abl. quibus

Slide 12 - Slide

qui V ev en mv
nom
gen
dat
acc
abl
quibus
qua
quas
quibus
quarum
cui
quam
quae
cuius
quae

Slide 13 - Drag question

qui, quae, quod V ev
nom. quae
gen. cuius
dat. cui
acc. quam
abl. qua
V mv
nom. quae
gen. quarum
dat. quibus
acc. quas
abl. quibus

Slide 14 - Slide

qui O ev en mv
nom
gen
dat
acc
abl
quibus
cui
quae
quibus
quorum
quae
quod
quo
cuius
quod

Slide 15 - Drag question

qui, quae, quod O ev
nom. quod
gen. cuius
dat. cui
acc. quod
abl. quo
O mv
nom. quae
gen. quorum
dat. quibus
acc. quae
abl. quibus

Slide 16 - Slide

quis (M/V) gaat hetzelfde als qui (M)
quid (O) gaat hetzelfde als quod (O)

alleen de vormen quis en quid wijken af!
quis kent geen apart rijtje voor V!

Slide 17 - Slide

Vertalen
1. (vragend) = wie, wat, welke

2. (betrekkelijk) = die, dat, wie, wat

maar.... hou rekening met de naamval

Slide 18 - Slide

Vertalen
cuius (gen. > van) =
1. van wie? van wat = waarvan? van welke?
2. van wie; waarvan

cui (dat. > aan/voor) =
1. voor wie? voor wat = waarvoor? voor welke?
2. voor wie; waarvoor

Slide 19 - Slide

... maar wat heeft dit met coniunctivus te maken?

Slide 20 - Slide

Twee nieuwe coni. vertaalregels
1. in een betrekkelijke bijzin drukt de coni. een doel uit.
v.b. recipit epistulam (hij krijgt een brief), ...
... quae legitur (ind.) > die gelezen wordt.
... quae legatur (coni.) > die gelezen moet worden.
+ moet(en) / om te ...

2. in een afhankelijke vraagzin is de coni. verplicht.
(en doe je er dus niets mee!)

Slide 21 - Slide

je moet betrekkelijke bijzin en afhankelijke vraag dus goed uit elkaar houden om de coniunctivus goed te vertalen!

Slide 22 - Slide

Oefenen
maken opdracht 9 en 10 (werkboek blz. 94)
vragen via de chat

Slide 23 - Slide

Coni. vertalen in bijzinnen 1
bijzin met ind.
bijzin met coni.
ut
1. zoals
2. zodra
1. (zo)dat
2. opdat, om te
ne
-
1. opdat niet, om niet te
2. dat
cum
wanneer, toen
1. terwijl, nadat
2. omdat
3. hoewel
4. als

Slide 24 - Slide

Coni. vertalen in bijzinnen 2
bijzin met ind.
bijzin met coni.
qui
'gewoon'
doel (+ moeten)
afh.
vraag
-
coni. verplicht
geen bijzondere betekenis
BZ in aci
-
coni. verplicht
geen bijzondere betekenis

Slide 25 - Slide

Ken je de coni. al (weer wat beter) quiz

Slide 26 - Slide

'cum' + coni. vertaal je (onder andere) als
A
omdat
B
zodat
C
opdat
D
voordat

Slide 27 - Quiz

De bijzin '... ut necaret.' betekent:
A
..., zodra hij doodde.
B
... zoals hij doodde.
C
..., opdat hij doodde
D
... om te doden

Slide 28 - Quiz

Huiswerk
maandag 25 mei: afmaken opdr. 9 en 10 (wb blz. 94), leren coni. vormen herkennen, leren coni. vertaalregels
dinsdag 26 mei: formatieve toets werkwoord (coni. herkennen en vertaalregels toepassen)

Slide 29 - Slide

Tot volgende week!!

Slide 30 - Slide