2kgt 4.3 Lezen

4.3 LEZEN
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

4.3 LEZEN

Slide 1 - Slide

In deze paragraaf
herhaal je
  • de tekstdoelen herkennen;
  • de kernzin van een alinea aanwijzen.
leer je
  • tekstsoorten herkennen;
  • over beeld en opmaak in een tekst;
  • wat het leespubliek van een tekst is.

Slide 2 - Slide

Dit weet je al.
Stel, je krijgt een uitnodiging voor een verjaardagsfeest. Wat is het tekstdoel van de uitnodiging?
A
amuseren
B
informeren
C
activeren
D
overtuigen

Slide 3 - Quiz

Dit weet je al.
Bij welke teksten is informeren het belangrijkste tekstdoel? (Meer antwoorden mogelijk)
A
een formulier om je op te geven voor een sportwedstrijd
B
een leestekst over de middeleeuwen in een schoolboek
C
de spelregels bij een nieuwe game

Slide 4 - Quiz

Bekijk onderstaand plaatje.

Slide 5 - Slide


Wat voor tekst is dit?
A
een krantenbericht
B
een reclameposter
C
een informatiefolder
D
een gedicht

Slide 6 - Quiz


Wat is het belangrijkste tekstdoel
van deze tekst?
A
amuseren
B
informeren
C
activeren
D
overtuigen

Slide 7 - Quiz

Wat wil de maker met deze tekst bereiken?

Slide 8 - Open question

Tekstsoorten
tekstsoort
tekstdoel
voorbeeld
informatieve tekst
informeren
krantenbericht over een sportwedstrijd
tekst met een mening (betoog)
overtuigen
recensie van een film of game
activerende tekst
activeren
reclametekst voor een sponsoractie
amuserende tekst
amuseren
moppenpagina in de Donald Duck

Slide 9 - Slide

Beeld en opmaak
Een schrijver plaatst zijn tekst niet zomaar op een bladzijde of website. Hij houdt rekening met beeld en opmaak: de manier waarop de tekst is vormgegeven. Een ander woord voor beeld en opmaak samen = lay-out.

Bijvoorbeeld:
- de verdeling van de tekst over de bladzijde
- de keuze van de soort letters
- de keuze van de kleuren
- de keuze van de plaatjes bij de tekst 

Slide 10 - Slide

Welke van de vier is GEEN voorbeeld van beeld en opmaak?
A
de keuze van de soort letters
B
de keuze van de kleuren
C
de verdeling van de tekst in alinea's
D
de verdeling van de tekst over de bladzijde

Slide 11 - Quiz

Beeld en opmaak
Veel bedrijven hebben een eigen manier van vormgeven. Ze hebben een eigen huisstijl, dat wil zeggen dat ze altijd dezelfde soort letter, kleuren en plaatjes gebruiken. Ze hebben ook een logo, een plaatje waaraan je het bedrijf kunt herkennen.

Het doel is dat een lezer door beeld en opmaak direct weet van welk bedrijf de informatie is.

Slide 12 - Slide

Van welk bedrijf is dit het logo?
A
Burger King
B
KFC
C
MacDonald's
D
Febo

Slide 13 - Quiz

Leespubliek
Een schrijver schrijft zijn tekst voor een bepaalde groep lezers. Die noem je het leespubliek.

Hoe kom je te weten voor welk leespubliek een tekst is bedoeld? Let dan hierop:
• het soort plaatjes;
• de bron;
• het taalgebruik;
• het onderwerp;
• hoe de lezer wordt aangesproken: met u of jij.

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Voor welk leespubliek is het tijdschrift
National Geographic Junior
geschreven?
A
kinderen en jongeren
B
vrouwen
C
pubermeiden

Slide 16 - Quiz

Voor welk leespubliek is het tijdschrift
Girlz!
geschreven?
A
kinderen en jongeren
B
vrouwen
C
pubermeiden

Slide 17 - Quiz

Voor welk leespubliek is het tijdschrift
Libelle
geschreven?
A
kinderen en jongeren
B
vrouwen
C
pubermeiden

Slide 18 - Quiz

Opdrachten
Maak nu opdracht 
3 t/m 6 en 8 
(p. 25 t/m 30)

Volgende les 

Slide 19 - Slide

Even terugkijken (p. 28)
- vragen over de gemaakte opdrachten (3 t/m 6 en 8)?
- bespreken opdracht 6

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Wat is een kernzin en waar vind je die?

Slide 22 - Open question

Slide 23 - Video

Kernzinnen
  • Een alinea bestaat uit twee delen.
  • Kernzin.
  • toelichting van de kernzin. 

  • De kernzin bevat belangrijke informatie.
  • Meestal de eerste zin van de alinea. 

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Waar of niet waar?
De eerste zin van de alinea is altijd de kernzin.
A
waar
B
niet waar

Slide 26 - Quiz

Waar of niet waar?

In een alinea staat vaak een kernzin.
A
waar
B
niet waar

Slide 27 - Quiz

Wat zijn de drie kenmerken van een kernzin?

Slide 28 - Open question

Opdrachten
Maak nu opdracht 
9 t/m 16 (p. 31 t/m 34)

Slide 29 - Slide