Bezittelijk voornaamwoord G1

Het Bezittelijk Voornaamwoord
(mijn, jouw, zijn, haar, onze, uw/jullie, hun)
1 / 15
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 15 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Het Bezittelijk Voornaamwoord
(mijn, jouw, zijn, haar, onze, uw/jullie, hun)

Slide 1 - Slide

Weet je nog?
In het Frans is
het zelfstandig naamwoord
altijd erg belangrijk!
KIJK NAAR:




1. geslacht van dat zelfstandig naamwoord
2. of het enkelvoud of meervoud is

Slide 2 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord
in het Nederlands:


het gaat om :
(het geslacht van)


die iets bezit
en of het om 1 persoon
of meerdere personen gaat





Bezittelijk voornaamwoord
in het Frans


het gaat om :
het  geslacht van


en of er van dat
zelfstandig naamwoord
er maar 1 is of meerdere zijn
de persoon
het zelfstandig naamwoord

Slide 3 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord
in het Nederlands:








Bezittelijk voornaamwoord
in het Frans



zijn
haar
mijn
jouw
onze
mnl
ev
vrl
ev
mnl
mv
vrl
mv

Slide 4 - Slide

mijn
ma maison
mon chien
mes livres
mes glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 5 - Slide

jouw
ta maison
ton chien
tes
livres
tes glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 6 - Slide

zijn/haar
sa maison
son chien
ses
livres
ses glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 7 - Slide

onze
notre
 
maison
notre chien
nos
livres
nos glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 8 - Slide

uw/jullie
votre
 
maison
votre chien
vos
livres
vos glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 9 - Slide

hun
leur
 
maison
leur chien
leurs
livres
leurs glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 10 - Slide

Voorbeelden zelfst. nw. vrl. enkelvoud
(de jongen of het meisje zegt) "Ça, c'est ma mère"
het is jouw moeder: "C'est ta mère"
het is zijn of haar moeder: "C'est sa mère"
het is onze moeder: "C'est notre mère"
het is uw/jullie moeder: "C'est votre mère"
het is hun moeder: "C'est leur mère"

Slide 11 - Slide

Voorbeelden zelfst. nw. mnl. enkelvoud
(de jongen of het meisje zegt) "ça c'est mon père"
het is jouw vader: "C'est ton père"
het is zijn of haar vader: "C'est son père"
het is onze vader: "C'est notre père"
het is uw/jullie vader: "C'est votre père"
het is hun vader: "C'est leur père"

Slide 12 - Slide

Voorbeelden zelfst. nw. mnl/vrl meervoud
"ce sont nos mères" - onze moeders
"ce sont nos pères" - onze vaders
"ce sont nos parents" - onze ouders
"ce sont vos mères" - uw/jullie moeders
"ce sont vos pères" - uw/jullie vaders
"ce sont vos parents" - uw/jullie ouders
"ce sont leurs mères" - hun moeders
"ce sont leurs pères" - hun vaders
"ce sont leurs parents" - hun ouders

Slide 13 - Slide

Schema

mijn
jouw
haar/zijn

ons/onze
uw/jullie
hun


mannelijk
mon
ton
son

notre
votre 
leur
vrouwelijk
ma
ta
sa

notre
votre
leur
meervoud
mes
tes
ses

nos
vos
leurs

Slide 14 - Slide

Let op klinkerbotsingen!
Mijn vriendin : 
 (a + a naast elkaar gaat niet voor de uitspraak!)


Het mannelijk bezittelijk voornaamwoord wordt in dit geval gebruikt om het beter te laten klinken
Ma amie
Mon amie

Slide 15 - Slide