§3 overbrengingen Quinten

overbrengingen 
katrollen (vast, los en de combinatie van losse en vaste katrollen ; Takel)
tandwielen
wat betekent een overbrenging? 
hoe bepaal je overbrengingsverhouding? 
wat betekent het verzet bij een fiets?


1 / 20
next
Slide 1: Slide
naskMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

overbrengingen 
katrollen (vast, los en de combinatie van losse en vaste katrollen ; Takel)
tandwielen
wat betekent een overbrenging? 
hoe bepaal je overbrengingsverhouding? 
wat betekent het verzet bij een fiets?


Slide 1 - Slide

De vaste katrol

Een vaste katrol draait de kracht om. Je herkent een vaste katrol aan het feit dat hij VAST zit.


Kracht verandert niet! maar richting kan wel veranderen


Slide 2 - Slide

Takel
Vaste katrol met losse katrol: verdeelt het gewicht over hoeveel katrollen je toevoegd. 


Slide 3 - Slide

OVERBRENGINGEN
  • een beweging overbrengen van een onderdeel op een ander onderdeel 
  • Directe overbrenging (tandwielen)

  • Indirecte overbrengingen (ketting, riem of snaar)

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Filmpje 
Tandwielen brengen beweging over. 
Maar ze kunnen ook de snelheid van een beweging veranderen. Wat kun je met tandwielen nog meer?

 


Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Het verzet
  • Is de afstand die een fiets aflegt als de trappers 1 keer ronddraaien
  • wordt bepaald door de versnelling en de omtrek van het achterwiel

Slide 8 - Slide

maak nu opgave 30 en 31 (10min)

bij opgave 30: verhouding tussen de kracht op de trapper en spankracht van de ketting en de kracht op de weg. 
F x r (ketting)= F x r (weg) zie blz. 20)
timer
10:00

Slide 9 - Slide

Overbrengingsverhouding
Met de overbrengingsverhouding geef je aan hoeveel keer het volgwiel ronddraait als het aandrijfwiel één keer ronddraait. 
Bij een versnelling met een aandrijfwiel met 52 tanden en een volgwiel met 13 tanden is de overbrengingsverhouding 1 : 4 
1: (aandrijfwiel/volgwiel)


Slide 10 - Slide

Tandwielen die even groot zijn, draaien even snel.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quiz

Een kleiner tandwiel draait langzamer rond dan een groter tandwiel.
A
waar
B
niet waar

Slide 12 - Quiz

Welke pijl hoort bij je volgwiel?
Volgwiel
1
2
A
1
B
2

Slide 13 - Quiz

Als het kleine wiel X rechtsom draait, draait het grote wiel Y
X
Y
Z
A
linksom
B
rechtsom

Slide 14 - Quiz

Het gewicht hiernaast weegt 780 N .
Leg uit met een eenvoudige berekening hoe groot de
spankracht in het touw is.
A
780N
B
370N
C
195N
D
144N

Slide 15 - Quiz

een tandwiel T1 met 80 tanden drijft via een ketting een tandwiel T2 van 20 tanden aan.
Hoeveel ronden draait T2 als T1 2 ronden draait
A
2
B
4
C
8
D
16

Slide 16 - Quiz

Wat betekent het verzet bij fietsen?

Slide 17 - Open question

Bij een oneven aantal   tandwielen veranderd de                     draairichting
                  niet

Slide 18 - Slide

Grijpen twee tandwielen in elkaar, dan draaien ze ieder een andere richting op.
Tandwiel 1 draait sneller dan tandwiel 2. 

Slide 19 - Slide

Huiswerk
H1§3 25 t/m 32




Slide 20 - Slide