Voorzetsels in de vierde naamval/persoonlijke voornaamwoorden in de vierde naamval

Kapitel 4 München -  Lektion 3
Lektion 1
1 / 29
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Kapitel 4 München -  Lektion 3
Lektion 1

Slide 1 - Slide

Aan het einde van de les ...
  • ken ik de persoonlijke voornaamwoorden in het Duits in de vierde naamval. 
  • kan ik de vierde naamval toepassen achter de voorzetsels. 

Slide 2 - Slide

Voorzetsels met de vierde naamval Duits-de meest gebruikte : 
durch = door 
für = voor
gegen = tegen
ohne = zonder
um = om 

Slide 3 - Slide

Dit weten wij al :
  • vierde naamval is zinsdeel = lijdend voorwerp.
  • bij de mannelijke zelfstandige naamwoorden verandert der in den. 
  • vierde naamval staat ook ACHTER de voorzetsels met de vierde naamval.

Slide 4 - Slide

Om vierde naamval te kunnen toepassen moet ik: 
-> kijken, waar het lijdend voorwerp staat
-> kijken, of een voorzetsel met de vierde naamval er staat

Slide 5 - Slide

De persoonlijke voornaamwoorden 
  • ich 
  • du 
  • er/sie/es 
  • wir 
  • ihr 
  • sie/Sie

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Bij de volgende vragen
Gebruik het boek Na Klar deel B als hulpmiddel (Grammatik A - S. 13 & Grammatik B - S. 22).

Slide 8 - Slide

Welke van deze voorzetsels behoren niet tot de voorzetsels 4e naamval?
A
von
B
durch
C
mit
D
gegen

Slide 9 - Quiz

voor mij
zonder hem
door jullie
om jou
um dich
ohne ihn
für mich
durch euch

Slide 10 - Drag question

Vertaal: door
A
ohne
B
um
C
für
D
durch

Slide 11 - Quiz

Vertaal: zonder
A
tegen
B
ohne
C
om
D
met

Slide 12 - Quiz

Vertaal: voor jou
A
für mich
B
ohne mich
C
für dich
D
gegen dich

Slide 13 - Quiz

Vertaal: tegen jullie
A
um euch
B
für euch
C
gegen euch
D
gegen uns

Slide 14 - Quiz

vertaal: zonder hem
A
ohne mich
B
ohne ihn
C
um ihn
D
für ihn

Slide 15 - Quiz

Vertaal: door mij
A
ohne mich
B
durch mich
C
gegen mich
D
für mich

Slide 16 - Quiz

Welke voorzetsels hebben de 4e naamval?

Slide 17 - Open question

In plaats van welk zinsdeel mag ik het persoonlijk voornaamwood gebruiken? (Bekijk Grammatik C)

Slide 18 - Open question

Stel 1 vraag over iets dat je deze les nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 19 - Open question

Schrijf de volgende woorden in de haakjes in het Duits.

Slide 20 - Slide

Schrijf het rijtje van het persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval.

Slide 21 - Open question

Vertaal:
1. Das ist ( voor mij) und nicht ( voor U) .

Slide 22 - Open question

Zinsontleding.
Het onderwerp is in het Duits ...
A
vierde naamval
B
derde naamval
C
eerste naamval
D
tweede naamval

Slide 23 - Quiz

Ich sehe ....... jeden Tag.
A
er
B
ihn

Slide 24 - Quiz

Das ist für ...............
A
ihr
B
euch

Slide 25 - Quiz

Die Tante kauft den Wagen.
Welke vorm is "den Wagen"?
A
tweede naamval
B
vierde naamval
C
eerste naamval
D
derde naamval

Slide 26 - Quiz

Die Schule kümmert sich in Coronazeiten um .... (hun/hen).
A
sie (eerste naamval)
B
ihnen
C
sie (vierde naamval)

Slide 27 - Quiz

"wij" wordt in de vierde naamval
A
wir
B
uns
C
ihr
D
euch

Slide 28 - Quiz

Bist du fertig? 
Ben je klaar? --> Inloggen in StudyGo en leer zelfstandig alvast de woorden van Kapitel 4, Lektion 3 (beide kanten).

Slide 29 - Slide