TaalCompleet 4.4 A1
TaalCompleet 4.4 A1
Doen
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Werkwoord
geeft een ''activiteit'' / ''beweging'' aan.
Ik doe mijn jas aan.
Doe je mee met de voetbalwedstrijd?
Wat doe je vanavond?
We gaan iets leuks doen.
Nodig hebben
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Niet zonder iets kunnen.
Bijvoorbeeld:
Je kunt niet voetballen zonder bal. Je hebt een bal nodig.
Je kunt niet schrijven zonder pen. je hebt een pen nodig.
Wat heb je nodig voor het eten?
Klaar
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Af. Het stopt. Het gaat niet meer verder.
Om 15:00 is de les klaar.
De liter
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Hoeveelheid vloeistof.
Bijv: water, drinken,
Voor dit recept heb je 10 liter water nodig.
De minuut
Betekenis:
Voorbeeldzin:
hoeveelheid tijd
60 seconden
Over drie minuten gaat de bel.
De pan
Betekenis:
Meervoud:
Voorbeeldzin:
Stalen bak waarin je kan koken.
De pannen
De pan is erg warm.
De soep
Betekenis:
Meervoud:
Voorbeeldzin:
Warm eten wat vloeibaar is.
Vaak gevuld met groenten en vlees
De soepen
De groentensoep is erg heet.
De tomaat
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Groenten
Rood
In mijn tuin groeien verse tomaten.
De ui
Betekenis:
Meervoud:
Voorbeeldzin:
Groenten
Geel of rood
Scherp
Maakt je aan het huilen
De uien
De uien zijn erg scherp.
Het zout
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Witte korrels die smaak geven aan het eten.
Het eten mist zout.