TaalCompleet 4.4 A1

TaalCompleet 4.4 A1

1 / 11
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalISK

This lesson contains 11 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

TaalCompleet 4.4 A1

Doen

Betekenis:





Voorbeeldzin:



  • Werkwoord

  • geeft een ''activiteit'' / ''beweging'' aan.



  • Ik doe mijn jas aan.

  • Doe je mee met de voetbalwedstrijd?

  • Wat doe je vanavond?

  • We gaan iets leuks doen.

Nodig hebben

Betekenis:







Voorbeeldzin:



Niet zonder iets kunnen.

Bijvoorbeeld:

  • Je kunt niet voetballen zonder bal. Je hebt een bal nodig.

  • Je kunt niet schrijven zonder pen. je hebt een pen nodig.


  • Wat heb je nodig voor het eten?

Klaar

Betekenis:




Voorbeeldzin:



  • Af. Het stopt. Het gaat niet meer verder.



  • Om 15:00 is de les klaar.

De liter

Betekenis:




Voorbeeldzin:



  • Hoeveelheid vloeistof.

  • Bijv: water, drinken,



  • Voor dit recept heb je 10 liter water nodig.

De minuut

Betekenis:






Voorbeeldzin:



  • hoeveelheid tijd

  • 60 seconden





  • Over drie minuten gaat de bel.

De pan

Betekenis:






Meervoud:



Voorbeeldzin:



  • Stalen bak waarin je kan koken.






  • De pannen



  • De pan is erg warm.

De soep

Betekenis:



Meervoud:



Voorbeeldzin:



  • Warm eten wat vloeibaar is.

  • Vaak gevuld met groenten en vlees

  • De soepen



  • De groentensoep is erg heet.

De tomaat

Betekenis:





Voorbeeldzin:



  • Groenten

  • Rood




  • In mijn tuin groeien verse tomaten.

De ui

Betekenis:





Meervoud:



Voorbeeldzin:



  • Groenten

  • Geel of rood

  • Scherp

  • Maakt je aan het huilen


  • De uien



  • De uien zijn erg scherp.

Het zout

Betekenis:




Voorbeeldzin:



  • Witte korrels die smaak geven aan het eten.



  • Het eten mist zout.