Hoofdstuk 6 basisboek verantwoord aan het werk.













Hoofdstuk 6 basisboek verantwoord aan het werk.
1 / 30
next
Slide 1: Slide
WelzijnMBOStudiejaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson













Hoofdstuk 6 basisboek verantwoord aan het werk.

Slide 1 - Slide

Wat betekent “Safety First”?
A
Eerst pauze nemen
B
Eerst het werk snel afmaken
C
Veiligheid gaat altijd voor
D
Alleen luisteren naar je collega

Slide 2 - Quiz

Waarom is veiligheid belangrijk op de werkvloer?
A
Zodat je sneller klaar bent
B
Om ongelukken te voorkomen
C
Omdat het leuk staat
D
Voor extra pauze

Slide 3 - Quiz

Wat doe je als je een onveilige situatie ziet?
A
Niets
B
Zelf oplossen zonder iets te zeggen
C
Melden bij je leidinggevende
D
Naar huis gaan

Slide 4 - Quiz

Wat is het doel van een waarschuwingspictogram?
A
Versiering
B
Aangeven dat iets verplicht is
C
Waarschuwen voor gevaar
D
De weg wijzen

Slide 5 - Quiz


Wat betekent veilig handelen?
A
Zo snel mogelijk werken
B
Werken zonder na te denken
C
Werken op een manier die ongelukken voorkomt
D
Alleen doen wat je leuk vindt

Slide 6 - Quiz

Waarom is veilig handelen belangrijk in de zorg?
A
Voor minder administratie
B
Om cliënten en jezelf te beschermen
C
Om eerder naar huis te kunnen
D
Omdat het moet van de school

Slide 7 - Quiz

Wat doe je als je een natte vloer ziet?
A
Doorlopen
B
Het melden en een waarschuwingsbord neerzetten
C
Niets
D
Rennen

Slide 8 - Quiz

Wat is een risico?
A
Iets wat altijd veilig is
B
Een kans op gevaar of een ongeluk
C
Een leuke activiteit
D
Een regel

Slide 9 - Quiz

Wat is een risico in een zorginstelling?
A
Losliggende kabels
B
Een opgeruimde kamer
C
Goede verlichting
D
Een schone vloer

Slide 10 - Quiz

Waarom moet je risico’s herkennen?
A
Zodat je ze kunt voorkomen
B
Voor extra werk
C
Voor een hoger cijfer
D
Dat hoeft niet

Slide 11 - Quiz

Wat zijn persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)?
A
Medicijnen
B
Spullen om sneller te werken
C
Spullen om sneller te werken
D
Middelen die je beschermen tegen gevaar

Slide 12 - Quiz

Welke van deze is een persoonlijk beschermingsmiddel?
A
Handschoenen
B
Pen
C
Sleutels
D
Pet

Slide 13 - Quiz

Wanneer draag je handschoenen in de zorg?
A
Alleen in de pauze
B
Bij contact met lichaamsvloeistoffen
C
Nooit
D
Alleen buiten

Slide 14 - Quiz

Wat is een pictogram?
A
Een lange tekst
B
Een afbeelding met een duidelijke boodschap
C
Een verhaal
D
Een toets

Slide 15 - Quiz

Wat is een vluchtplan?
A
Een schoonmaakrooster
B
Een plan om snel en veilig een gebouw te verlaten bij nood
C
Een lesrooster
D
Een werkplanning

Slide 16 - Quiz

Wanneer gebruik je een vluchtplan?
A
Bij brand of noodsituatie
B
In de pauze
C
Aan het einde van de dag
D
Alleen bij bezoek

Slide 17 - Quiz

Wat moet je doen als het brandalarm afgaat?
A
Blijven zitten
B
Je spullen pakken
C
Rustig via de nooduitgang naar buiten gaan
D
Rennen en duwen

Slide 18 - Quiz

Wat betekent hygiëne?
A
Slordig werken
B
Schoon en netjes werken om ziektes te voorkomen
C
Snel werken
D
Goedkoop werken

Slide 19 - Quiz

Wanneer moet je je handen wassen?
A
Alleen thuis
B
Na toiletbezoek en voor het bereiden van eten
C
Alleen als ze vies lijken
D
Nooit

Slide 20 - Quiz

Waarom is hygiëne belangrijk in de zorg en horeca?
A
Voor een goede indruk
B
Om besmetting en ziektes te voorkomen
C
Voor hogere cijfers
D
Dat is niet belangrijk

Slide 21 - Quiz

Waar staat HACCP voor?
A
Een schoonmaakmiddel
B
Een systeem voor voedselveiligheid
C
Een soort bacterie
D
Een kooktechniek

Slide 22 - Quiz

Wat controleer je bij HACCP?
A
De kleur van het eten
B
De temperatuur van voedsel
C
De prijs van producten
D
De muziek in de keuken

Slide 23 - Quiz

Wat zijn bacteriën?
A
Kleine levende organismen die je niet kunt zien
B
Grote dieren
C
Een soort schoonmaakmiddel
D
Een virus

Slide 24 - Quiz

Waar kunnen bacteriën zich snel vermenigvuldigen?
A
In koude vriezer (-18°C)
B
In warm eten dat lang buiten de koelkast staat
C
In schoon water
D
In een lege kast

Slide 25 - Quiz

Hoe kun je bacteriën verminderen?
A
Door handen te wassen
B
Door eten lang buiten de koelkast te laten staan
C
Door niets schoon te maken
D
Door voedsel niet af te dekken

Slide 26 - Quiz

Wat betekent recyclen?
A
Afval weggooien
B
Afval opnieuw gebruiken of verwerken
C
Alles bij elkaar gooien

Slide 27 - Quiz

Waarom is recyclen belangrijk?
A
Voor het milieu
B
Voor meer afval
C
Dat maakt niet uit
D
Alleen voor bedrijven

Slide 28 - Quiz

Wat is het broeikaseffect?
A
Dat de zon geen warmte meer geeft
B
Dat warmte van de zon wordt vastgehouden door gassen in de lucht
C
Dat de aarde kouder wordt
D
Dat planten sneller groeien

Slide 29 - Quiz

Wat betekent ergonomisch werken?
A
Zo snel mogelijk werken
B
Werken zonder hulpmiddelen
C
Op een manier werken die je lichaam zo min mogelijk belast
D
Altijd staand werken

Slide 30 - Quiz