A2 thema 1 + 2 grammatica spelling etc. NT2

A2 thema 1 en 2 
grammatica kort herhalen

1 / 20
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 2

This lesson contains 20 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

A2 thema 1 en 2 
grammatica kort herhalen

Slide 1 - Slide

start met een woord slang
  • Begin met een woord met de a 
bijvoorbeeld auto  eindigt met een o
  • het volgende woord begint met een o

Slide 2 - Slide

volgorde zinnen
wie/wat   werkwoord   tijd    wie/wat  plaats
Jij hebt morgen les in Oldenzaal.
De telefoon trilde vanochtend in deze tas naast het bureau.

Slide 3 - Slide

volgorde zinnen
wie/wat    werkwoord    rest      2e werkwoord
De beker staat op de tafel 
Ik wil vandaag geen koffie drinken

Slide 4 - Slide

en, maar, want, dus, of

We gaan er samen heen en daarna brengen we haar thuis.
Ik wil slapen, maar het lukt niet.
Ik hoef geen eten, want ik heb al gehad.
Ik kom morgen op tijd, dus zet je wekker vroeg.
Wil je blauw of wil je groen?

Slide 5 - Slide

bijvoeglijke naamwoorden 
met e of zonder e?
.
de woorden 
de grote tafel, een grote tafel
De tafel is groot

het woorden 
het grote raam, een groot raam
Het raam is groot

Slide 6 - Slide

schrijf een berichtje voor je vriend/vriendin over een voorwerp dat je kwijt bent.
gebruik verschillende bijvoeglijke naamwoorden:

zoals: groot, klein, dik, dun, oranje, zwart, hoog, mooi etc.

Slide 7 - Slide

werkwoorden
beschrijven
ik beschrijf
jij beschrijft
u/ zij/ hij beschrijft
wij/ jullie/ zij beschrijven



liggen 
ik lig, 
jij ligt
u/zij/hij ligt
wij/ jullie/ zij liggen
ligg?
 een woord kan niet op 2 medeklinkers eindigen 

Slide 8 - Slide

lopen 
ik loop
jij/hij/zij/u loopt 
wij/ jullie/zij lopen 
lopen
lop? 
nee je hoort een lange klank deze schrijf je ook in het enkelvoud, dus loop
aanwijzen
ik wijs aan
jij/hij/zij/u wijst aan
wij/jullie/zij wijzen aan
wijzen aan
wijz?
wijs aan

Slide 9 - Slide

vergrotende trap
klein - kleiner  dan- kleinst
dik?
lekker?
duur?
graag?
goed?
veel? weinig?


Slide 10 - Slide

meivakantie
  • Werk in groepjes:
  • Welke dagen/feesten worden er in Nederland 
gevierd tijdens de meivakantie? 
  • Op welke datum?
  • Wat wordt er gevierd? 
  • Hoe wordt het door de meeste Nederlanders gevierd?

Slide 11 - Slide

voltooid deelwoord 
Ik heb in mijn slaap gedroomd
Wij hebben in onze slaap gedroomd.
Ik ben mijn potlood vergeten.
Wij zijn ons potlood vergeten


Slide 12 - Slide

regelmatige vorm volt deelw.
x softketchup
x s f t k ch p,    laatste letter van het voltooid deelwoord?
ja --> t
nee --> d
gefiets + t  gefietst
gebel + d   gebeld

Slide 13 - Slide

uitzondering!
geleefd,   komt van leven           v is veranderd in een f
gereisd,  komt van reizen          z is veranderd in een s

Slide 14 - Slide

volt deelwoord onregelmatig?
denken - gedacht
kopen - gekocht
krijgen - gekregen
vergeten - vergeten
vinden - gevonden
hebben - gehad
zijn - geweest
eten - gegeten





deze moet je uit je hoofd leren!
schrijf het voltooid deelwoord van:
  •  schrijven, 
  • kiezen, 
  • pakken
  • zitten, 
  • beginnen, 
  • zeggen, 

Slide 15 - Slide

volgorde zinnen  2.7
de zin kan ook beginnen met de rest 
rest    werkwoord     wie/wat    rest     tweede werkwoord
In de tas zit een schrift.
Morgen wordt de krant iets later gebracht.
In Amsterdam is een groot museum voor kunst. 

Slide 16 - Slide

beschrijf hoe je een ei bakt.
.
gebruik de gebiedende wijs (2.10) voorbeeld: bak het ei
Wat heb je nodig om een ei te bakken?
gebruik de woorden (2.9): 
eerst, dan, daarna, tenslotte

Slide 17 - Slide

meervoud
plant - planten

na een korte klank
bak - bakken
zus- zussen
man - mannen
vis - vissen








na een lange klank
doos - dozen
kleed - kleden

na -f of -s
doos - dozen
poes - poezen
brief - brieven








Slide 18 - Slide

meervoud met -s

broer - broers
auto - auto's
meisje - meisjes
jongen - jongens


uitzonderingen 
kind ?
ei ?
stad ?
dag ?
gat ?
koe ?
glas ?
weg ?

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide