Les 4 la comida

Lessenserie La comida

Les 4

1MHV
1 / 20
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Lessenserie La comida

Les 4

1MHV

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

les 4
leerdoelen:
4. Je kunt vertellen wat je favoriete gerecht is en waar dat gerecht uit bestaat.
5. Je kunt aangeven wat je wel en niet lekker vindt.

subdoelen:
- je kent het werkwoord 'llevar' om te vertellen wat er in een gerecht zit.
- je kunt met het werkwoord 'gustar' aangeven wat je wel en niet lekker vindt en vragen naar iemands voorkeur.
- je kunt reageren op iemands voorkeur (ik ook, ik ook niet, ik wel, ik niet)

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

woorden en zinnen Les 4
gustar = leuk vinden, houden van     sabroso = smakelijk
llevar = dragen, bevatten                       picante = pittig
el plato= het gerecht                                salado = zout
favorito = favoriet                                      ¡que rico! = wat lekker
también = ook                                             ¡está delicioso! = het is heerlijk 
 tampoco = ook niet                                  el pimiento = paprika
el chocolate = de chocolade                la galleta = het koekje
las patatas fritas = de frietjes             el vaso = het glas
la cebolla =ui                                               la botella = de fles
el ajo = knoflool
el aceite = olijfolie



Slide 3 - Slide

This item has no instructions

leer de woorden en zinnen van les 4



klik HIER voor de lijst in Quizlet
timer
10:00

Slide 4 - Slide

quizlet studieset nog aanmaken en koppelen
El verbo 
Gustar

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Slide 6 - Video

This item has no instructions

Gustar betekent = leuk vinden of houden van (bevallen).
Hoewel het een werkwoord is op -AR, is het anders dan de andere werkwoorden!

El verbo gustar
GUSTA
GUSTAN
en
Wat je leuk vindt is:
  • Enkelvoud
  • Werkwoord(en)
Wat je leuk vindt is:
  • Meervoud
Voorbeelden:
Me gusta el gato.
Ik vind de kat leuk.

Me gustan los perros
Ik vind de honden leuk

Me gusta hablar español 
Ik vind Spaans spreken leuk.




Meestal gebruik je alleen:

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Het Spaanse werkwoord gustar is nooit alleen. Het werkwoord gustar geeft aan wat je leukt vindt. En daar voor komt altijd een meewerkend voorwerp, die geeft aan wie iets leuk vindt. 

Let op je gebruikt altijd een lidwoord (el/la/los/las), in het Nederlands doe je dat niet altijd.
Voorbeeld: Me gustan las pizzas > Ik hou van pizzas. 

Ik-vorm (yo) =    me gusta ...         +           me gustan ...
Jij-vorm (tú) =    te gusta ...           +            te gustan ...


El verbo gustar
Me gustan las patatas fritas.
¿Te gustan las patatas fritas?
VOORBEELD:
Ik hou van frietjes.
Hou jij van frietjes?

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

¡A practicar!
                              Ontkenning:
No betekent zowel nee als niet!
Soms noteer je het woord dus 2x achter elkaar. 
Plaats:
Het komt er altijd voor te staan.
Kijk maar naar het voorbeeld.
A. Vul in gusta of gustan
1. Me _____________________ las hamburguesas.
2. ¿Te ______________________ estudiar español?
3. Me ______________________ el fútbol.
4. ¿Te ______________________ bailar?
5. Me _______________________ los libros de Harry Potter.


B. Geef antwoord:
voorbeeld: ¿Te gusta el español?       Sí, me gusta el español     of       No, no me gusta el español.
                       Vind je Spaans leuk?      Ja, ik vind Spaans leuk         of       Nee, ik vind Spaans niet leuk. 
1. ¿Te gustan los perros?
2. ¿Te gusta ver Netflix?
3. ¿Te gusta hablar español?
4. ¿Te gusta leer?
5. ¿Te gusta la música clásica?
6. ¿Te gustan los gatos?

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

¡A practicar!
Ontkenning:
No betekent zowel nee als niet!
Soms noteer je het woord dus 2x achter elkaar. 
Plaats:
Het komt er altijd voor te staan.
Kijk maar naar het voorbeeld.
A. Vul in gusta of gustan
1. Me gustan las hamburguesas.                  (meervoud)
2. ¿Te gusta estudiar español?                     (werkwoord)
3. Me gusta el fútbol.                                       (enkelvoud)
4. ¿Te gusta bailar?                                          (werkwoord)
5. Me gustan los libros de Harry Potter.     (meervoud)



1. ¿Te gustan los perros?                       Sí, me gustan los perros of No, no me gustan los perros.
2. ¿Te gusta ver Netflix?                        Sí, me gusta ver Netflix of No, no me gusta ver Netflix.
3. ¿Te gusta hablar español?               Sí, me gusta hablar español of No, no me gusta hablar español.
4. ¿Te gusta leer?                                   Sí, me gusta leer of No, no me gusta leer.
5. ¿Te gusta la música clásica?           Sí, me gusta la música clásica of No, no me gusta la música clásica.
6. ¿Te gustan los gatos?                       Sí, me gustan los gatos of No, no me gustan los gatos.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Eens of oneens?
A mí me gustan las naranjas. ¿Y a ti?    (Ik hou van sinaasappels. En jij?
A mí también. (ik ook)
A mí no. (ik niet)

A mi padre NO le gusta la música clásica? ¿Y a tu padre?
(Mijn vader houdt NIET van klassieke muziek, en jouw vader?)
A mi padre sí (mijn vader wel)
A mi padre tampoco. (mijn vader ook niet)

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

¡Hola!
Soy Elena.
Mi plato favorito es albóndigas con patatas. Mi madre siempre lo prepara los domingos. ¡Es muy rico! 
Lleva carne, pimiento y patatas fritas. 
¿Y tú? ¿Cuál es tu plato favorito?

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Mi plato favorito es .... y lleva .....
Neem de zin over en vul aan: noem 3 ingrediënten.

Slide 13 - Open question

This item has no instructions

Beantwoord onderstaande vragen in het Spaans.
1. ¿Te gusta el futbol?
2. ¿Te gustan las patatas fritas?
3. ¿Te gusta el español?

Slide 14 - Open question

This item has no instructions

¿Cómo se dice en español....?
Ik hou niet van kaas.
A
No me gustan el queso
B
No me gusta el queso
C
Me no gustan el queso
D
Me no gusta el queso

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

¡Me gustan las vacaciones!
¿y tú?
Reageer op deze vraag in het Spaans

Slide 16 - Open question

This item has no instructions

Hoe vraag je in het Spaans:
Houd je van ijs?

Slide 17 - Open question

This item has no instructions

Andere uitdrukkingen om aan te geven dat je het eten lekker vindt!

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Mira la planificación
Over welke leerdoelen heb je nog vragen?

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

les 4
leerdoelen:
4. Je kunt vertellen wat je favoriete gerecht is en waar dat gerecht uit bestaat.
5. Je kunt aangeven wat je wel en niet lekker vindt.

subdoelen:
- je kunt met het werkwoord 'gustar' aangeven wat je wel en niet lekker vindt en vragen naar iemands voorkeur.
- je kunt reageren op iemands voorkeur (ik ook, ik ook niet, ik wel, ik niet)

Slide 20 - Slide

This item has no instructions