BSR 11/01 2ha Grammatica ZD 3 ng

Open alvast je boek op blz. 208-209..
Log alvast in op LessonUp
(de code staat  linksonder in beeld).

§1: Herhaling leerjaar 1
§3: Naamwoordelijk gezegde
Voordat we beginnen:
2HA
GRAMMATICA
ZINSDELEN
timer
3:00
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Open alvast je boek op blz. 208-209..
Log alvast in op LessonUp
(de code staat  linksonder in beeld).

§1: Herhaling leerjaar 1
§3: Naamwoordelijk gezegde
Voordat we beginnen:
2HA
GRAMMATICA
ZINSDELEN
timer
3:00

Slide 1 - Slide

  • Je hebt de herhaling van leerjaar 1 gemaakt.
  • Je weet het verschil tussen een werkwoordelijk en een naamwoordelijk gezegde.
  • Je kunt het naamwoordelijke gezegde in een zin vinden.
Lesdoelen

Slide 2 - Slide

In deze les gaan we:
  • Verder met Cursus 5: Grammatica zinsdelen
  • De uitleg behandelen van paragraaf 3 (en hierbij aantekeningen maken);
  • Opdrachten 1 t/m 5 van paragraaf 3 maken. Deze opdrachten bespreken we de volgende les.

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Alles bij elkaar. Ontleed de zin: pv t/m bwb

In onze wijk wordt vanavond
het oud papier opgehaald.
timer
2:00

Slide 5 - Open question

Antwoord vorige vraag 
/ In onze wijk / wordt / vanavond / het oud papier / opgehaald. /

pv = wordt
ow = het oud papier
wg = wordt opgehaald (geen ng dus)
lv = x
mv = x
bwb (plaats) = in onze wijk
bwb (tijd) = vanavond

Slide 6 - Slide

Noteer van de volgende twee zinnen de persoonsvorm (pv), het onderwerp (ow),
het werkwoordelijk gezegde (wg), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv) en de bijwoordelijkelijke bepalingen (bwb). Let op: niet elk zinsdeel zit in elke zin. Doorlop dus de stappen in de juiste volgorde.

1. Mijn broertje moet volgende week een wedstrijd in Rotterdam spelen.

2. Ik heb mijn neefje vorige week een nieuwe game gegeven.

Twee zinnen ontleden

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Video

Naamwoordelijk gezegde
Het werkwoordelijk gezegde (wg) zegt wat iemand of iets doet. Het naamwoordelijk gezegde (ng) zegt wat iemand of iets is of wordt. Dat is het verschil.
Let goed op: Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel en een [naamwoordelijk deel].
De voetbaltrainer is streng. ng = is [streng].

Slide 9 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
Je vindt het naamwoordelijk gezegde in vier stappen:
1. Stel vast of er een koppelwerkwoord in de zin staat: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen.
2. Stel vast of het onderwerp iets doet of iets is/wordt.
3. Wat + wg + onderwerp = naamwoordelijk deel.
4. Noteer het naamwoordelijk gezegde als volgt:
pv + [nw. deel] + overige werkwoorden.

Slide 10 - Slide

Voorbeeld
1. Het openbaar vervoer is voor studenten en ouderen ideaal.
ng = is [ideaal]
2. Ruben uit klas 4 schijnt een veelbelovende gamer te zijn.
ng = schijnt [een veelbelovende gamer] te zijn

Slide 11 - Slide

1. Vanwege de milieuvervuiling wordt olie als energiebron minder populair.
2. Die goede speeches van de premier zijn waarschijnlijk niet in een halfuurtje klaar.
3. Containers blijven voor transport over grote afstanden heel nuttig.
4. Het aantal van 200 miljoen padden is in Australië een groeiend probleem.
In je schrift: doet het ow iets of is het ow iets?
Noteer daarna het naamwoordelijk gezegde.

Slide 12 - Slide

Wat?
Cursus 5: Grammatica zinsdelen §3 Naamwoordelijk gezegde. Opdracht 1 t/m 5 (blz. 210-211).
Hoe?
Zelfstandig. De eerste vijf minuten in stilte, daarna overleggen.
Hulp
Steek je vinger op als je een vraag hebt.
Tijd
10 minuten. Daarna gaan we afronden.
Klaar?
Oefen verder: https://www.cambiumned.nl/zinsdelen/

Huiswerk voor maandag 15/01
timer
10:00

Slide 13 - Slide

  • Je hebt de herhaling van leerjaar 1 gemaakt.
  • Je weet het verschil tussen een werkwoordelijk en een naamwoordelijk gezegde.
  • Je kunt het naamwoordelijke gezegde in een zin vinden.
Lesdoelen

Slide 14 - Slide

Noem een manier waarop je de persoonsvorm uit de zin kunt halen.

Slide 15 - Open question

Welke vraag stel je om het lijdend voorwerp in een zin te vinden?

Slide 16 - Open question

Wat is het verschil tussen een werkwoordelijk en een naamwoordelijk gezegde?

Slide 17 - Open question

Wie heeft nog een vraag over wat we vandaag hebben behandeld?

Slide 18 - Slide