Verkenning van Nederlandse Werkwoorden

Verkenning van Nederlandse Werkwoorden

Learning objective

1 / 13
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalLager onderwijs

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Verkenning van Nederlandse Werkwoorden

Learning objective

Leerdoel

Aan het eind van de les kun je Nederlandse werkwoorden herkennen, vervoegen en correct gebruiken in zinnen.

Wat weet je al over Nederlandse werkwoorden?

Wat is een werkwoord?

Werkwoorden beschrijven acties of toestanden. Ze zijn essentieel voor het vormen van zinnen.

Basisvormen van werkwoorden

Infinitief, verleden tijd, en voltooid deelwoord zijn de basisvormen van werkwoorden.

Tegenwoordige tijd

Werkwoorden worden vervoegd om de tegenwoordige tijd aan te geven: ik loop, jij loopt, wij lopen.

Verleden tijd

Werkwoorden worden anders vervoegd in de verleden tijd: ik liep, wij liepen.

Voltooid deelwoord

Het voltooid deelwoord gebruikt vaak 'ge-' aan het begin: gelopen, gespeeld.

Onregelmatige werkwoorden

Sommige werkwoorden volgen geen standaardregels: zijn, hebben, gaan.

Oefening: Werkwoorden in actie

Schrijf een korte tekst en onderstreep alle werkwoorden. Vervoeg ze in verschillende tijden.

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.