Studyflow 6.1_WOORDSOORTEN

HOOFDZIN EN BIJZIN
- In een hoofdzin staat onderwerp en persoonsvorm naast elkaar 
- In een bijzin kunnen tussen persoonsvorm en onderwerp nog andere zinsdelen staan 
1 / 15
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

HOOFDZIN EN BIJZIN
- In een hoofdzin staat onderwerp en persoonsvorm naast elkaar 
- In een bijzin kunnen tussen persoonsvorm en onderwerp nog andere zinsdelen staan 

Slide 1 - Slide

HOOFDZIN EN BIJZIN
Hoofdzin: 
Wij gaan morgen naar het strand.
Bijzin: 
Wij gaan morgen naar het strand als de trein op tijd rijdt.

Slide 2 - Slide

VOEGWOORDEN
- Voegwoorden geven het verband tussen twee zinnen aan
- Voegwoorden 'voegen' de zinnen aan elkaar

Wij gaan morgen naar het strand als de trein op tijd rijdt.

Slide 3 - Slide

NEVENSCHIKKENDE VOEGWOORDEN
- Nevenschikkende voegwoorden verbinden twee hoofdzinnen, twee zinsdelen of twee woorden
- De meest voorkomende nevenschikkende voegwoorden zijn:
en, maar, want, dus, of
Ik ga morgen naar het strand en neem een leesboek mee.

Slide 4 - Slide

ONDERSCHIKKENDE VOEGWOORDEN
- Onderschikkende voegwoorden verbinden een hoofdzin en een bijzin
- De meest voorkomende onderschikkende voegwoorden zijn:
als, doordat, hoewel, omdat, terwijl, wanneer, alsof
Wij gaan morgen naar het strand als de trein op tijd rijdt.

Slide 5 - Slide

ENKELVOUDIGE EN SAMENGESTELDE ZINNEN
- Enkelvoudige zin: er is maar 1 persoonsvorm en 1 onderwerp - een enkelvoudige zin = een hoofdzin

Wij gaan morgen naar het strand.


Slide 6 - Slide

ENKELVOUDIGE EN SAMENGESTELDE ZINNEN
- Een samengestelde zin heeft meer dan 1 persoonsvorm: hoofdzin + hoofdzin > Ik ga morgen naar het strand en neem een leesboek mee.
hoofdzin + bijzin > Wij gaan morgen naar het strand als de trein op tijd rijdt.

Slide 7 - Slide

Ik doe de was omdat ik me nuttig wil maken. De hoofdzin is:
A
Ik doe de was
B
omdat ik me nuttig wil maken

Slide 8 - Quiz

Ik doe de was omdat ik me nuttig wil maken. Welke uitspraak klopt?
A
het nevenschikkende voegwoord is omdat
B
het onderschikkende voegwoord is omdat
C
er staat geen voegwoord in deze zin

Slide 9 - Quiz

De weg was glad waardoor hij slipte. Welke uitspraak klopt?
A
Deze zin bestaat uit 1 hoofdzin
B
Deze zin bestaat uit 2 hoofdzinnen
C
Deze zin bestaat uit 1 hoofdzin + bijzin
D
Deze zin bestaat uit 2 bijzinnen

Slide 10 - Quiz

De weg was glad waardoor hij slipte. Welke uitspraak klopt?
A
Het onders. voegwoord is 'waardoor'
B
Het nevens. voegwoord is 'waardoor'
C
In deze zin staat geen voegwoord

Slide 11 - Quiz

Ik pak mijn boeken en ga naar school. Welke uitspraak klopt?
A
Deze zin bestaat uit 1 hoofdzin
B
Deze zin bestaat uit 1 hoofdzin + 1 bijzin
C
Deze zin bestaat uit 2 bijzinnen
D
Deze zin bestaat uit 2 hoofdzinnen

Slide 12 - Quiz

Ik pak mijn boeken en ga naar school. Welke uitspraak klopt?
A
In deze zin staat een ondersch. voegwoord
B
In deze zin staat een nevensch. voegwoord
C
In deze zin staat geen voegwoord

Slide 13 - Quiz

Maak een zin die bestaat uit:
2 hoofdzinnen + 1 nevenschikkend vw

Slide 14 - Open question

Maak een zin die bestaat uit:
1 hoofdzin + 1 bijzin + ondersch. vw

Slide 15 - Open question