Lezen H1 Talent

Welkom

Talent Lezen 1.3
Leesvaardigheid


Hoofdgedachte, onderwerp
Nederlands 3V2
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Welkom

Talent Lezen 1.3
Leesvaardigheid


Hoofdgedachte, onderwerp
Nederlands 3V2

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
Aan het eind van deze les...

  • weet je welke tekstdoelen er zijn. 
  • kun je uitleggen wat het verschil is tussen het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst. 
  • kun je zelfstandig het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst bepalen. 
  • Ik weet hoe (zinnen en) alinea's met elkaar verbonden kunnen zijn.
  • Ik weet welke signaalwoorden bij welk tekstverband horen.
  • Ik kan signaalwoorden herkennen in de tekst.

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Welke zin is de kernzin van deze alinea?
A
De eerste zin
B
De laatste zin
C
De tweede zin
D
De alinea heeft geen kernzin

Slide 4 - Quiz

Wat is de kernzin?
Antwoord
De kernzin is de eerste zin: ‘Als het … Europa.'
 Wat is de kernzin?

Slide 5 - Slide

Wat is de functie van de inleiding?
A
Een centrale vraag stellen
B
Een mening geven
C
Het onderwerp benoemen
D
Een persoon introduceren

Slide 6 - Quiz

Is de tekst een inleiding of een slot?
A
inleiding
B
slot

Slide 7 - Quiz

In welk deel van de tekst verwacht je onderstaande zinnen?
Inleiding
Kern
Slot
En daarom raad ik iedereen aan om meer televisie te kijken.
Televisie biedt bovendien de broodnodige ontspanning.
Het moge duidelijk zijn: televisiekijken is de beste invulling van je vrije tijd.
Zullen onze kleinkinderen nog weten wat een televisie is?
Voor velen zal het een bekend gevoel zijn: zo veel kanalen en toch zo weinig leuke programma's op tv.
Toch is het misschien te kort door de bocht om te zeggen dat er geen goede televisie meer wordt gemaakt.

Slide 8 - Drag question

In welke alinea's van een overtuigende tekst staat het standpunt?
A
inleiding en middenstuk
B
middenstuk en slot
C
inleiding en slot
D
inleiding, middenstuk en slot

Slide 9 - Quiz

Signaalwoorden en tekstverbanden
Signaalwoorden geven een verband aan tussen zinnen en/of alinea's. 
Doel: signaalwoorden maken een tekst begrijpelijk. 
Verbanden:
     - opsommend - doel - middel
     - tegenstellend -redengevend
     - oorzakelijk - toegevend
     - voorwaardelijk - chronologisch
     - vergelijkend - samenvattend
     - toelichtend - concluderend

Slide 10 - Slide

Tekstverband: CONCLUSIE
A
kortom
B
alles overziend
C
met dat doel
D
daarentegen

Slide 11 - Quiz

Tekstverband: VOORWAARDE
A
mits
B
waardoor
C
omdat
D
alles bij elkaar

Slide 12 - Quiz

Tekstverband: OPSOMMING
A
nog
B
alles bij elkaar
C
al met al
D
zoals

Slide 13 - Quiz

Signaalwoord: TEN EERSTE........TEN TWEEDE
A
middel-doel
B
opsomming
C
oorzaak-gevolg
D
tegenstelling

Slide 14 - Quiz

Tekstverband: UITSPRAAK-VOORBEELD
A
samenvattend
B
echter
C
ter toelichting
D
zo

Slide 15 - Quiz

Tekstverband: TEGENSTELLING
A
al met al
B
daar staat tegenover
C
zoals
D
waardoor

Slide 16 - Quiz

Tekstverband: MIDDEL-DOEL
A
zoals
B
om
C
zo
D
omdat

Slide 17 - Quiz

Tekstverband: UITLEG OF TOELICHTING
A
zoals
B
samenvattend
C
met andere woorden
D
tenzij

Slide 18 - Quiz

Tekstverband: SAMENVATTING
A
hierdoor
B
concluderend
C
om
D
kortom

Slide 19 - Quiz

'Daarom' is een signaalwoord voor een...
A
Opsommend verband
B
Concluderend verband
C
Redengevend verband
D
Tegenstellend verband

Slide 20 - Quiz

'En dan nog' is een signaalwoord voor een...
A
Opsommend verband
B
Concluderend verband
C
Redengevend verband
D
Tegenstellend verband

Slide 21 - Quiz

'Dus' is een signaalwoord voor een...
A
Toelichtend verband
B
Concluderend verband
C
Redengevend verband
D
Tegenstellend verband

Slide 22 - Quiz

'Daarentegen' is een signaalwoord voor een...
A
Opsommend verband
B
Concluderend verband
C
Redengevend verband
D
Tegenstellend verband

Slide 23 - Quiz

Tekstverband: VERGELIJKING
A
net als
B
kortom
C
als
D
waarmee

Slide 24 - Quiz

Noteer de tekstverbanden achter de signaalwoorden.

Slide 25 - Slide

Noteer de drie signaalwoorden die worden genoemd in deze tekst in je schrift.

Slide 26 - Slide

Uitspraak - opsomming
Uitspraak - tegenstelling
Uitspraak - voorbeeld
niet alleen ... maar ook
bijvoorbeeld
daar staat tegenover
Maar
Ook
bovendien
daarentegen
Integendeel
Zoals

Slide 27 - Drag question

timer
1:00
Welke signaalwoorden ken je?

Slide 28 - Mind map

Tekst
Wie heeft er nog vragen?

Slide 29 - Slide