,

Schrijfvaardigheid practicar escritura Vacaciones pasadas (uso indef. e imperf)

¡Bienvenidos!
Mevrouw de Cuba
1 / 26
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

¡Bienvenidos!
Mevrouw de Cuba

Slide 1 - Slide

Los objetivos de esta clase

Jullie gaan in deze les nog meer oefenen met het schrijven van Spaanse zinnen, zodat je goed voorbereid bij het SO komt 
Je gebruikt alle grammatica die je in  de afgelopen periodes hebt geleerd.


De doelen voor deze les

Slide 2 - Slide

El programa de hoy
  • 5 min - Bienvenidos
  • 15 min - Quizlet 
  • 10 min - presente
  • 10 min - lectura 
  • 20 min - ¡A trabajar!
  • 20 min - escritura 
  • Afsluiten

Slide 3 - Slide


  • Leer de woordenlijst via Quizlet 


timer
15:00

Slide 4 - Slide

¡ A trabajar! 
p. 27 ejercicio 23 y 24
timer
15:00

Slide 5 - Slide

PW
Schrijfvaardigheid: over je vakantie 
- gebruik van presente en perfecto 
- de wegwijzen 
- Dagelijkse routine 

Slide 6 - Slide

Diccionarios
Vóór het PW aanschaffen:
woordenboeken NL-ESP én ESP-NL




¡Tienes que pedirlos cuanto antes! Bestel ze zsm!

Slide 7 - Slide

PW Escritura (schrijfvaardigheid)
¿Qué tienes que saber?     Wat moet je kunnen?

  • Werkwoorden ( regelmatig/ onregelmatig ) op de juiste manier vervoegd .
  • Voltooid deelwoord: Presente perfecto ( he hecho, has comido etc.)
  • Presente (regelmatig/onregelmatig)
  • Een ontkenning ( niet, geen, niets, nooit niemand). Op welke plek in de zin staat dit woord?
  • Bijvoegelijk naamwoord op de juiste plaats ( denk aan m/v én meervoud!)
  • Accenten!!! ( vraagwoorden, estar  en bv. woorden die eindigen op -ión: acción, estación etc
  • Juist gebruik van meervoud bij bezittelijk voornaamwoord én bij Bijvoegelijk naamwoord 
  • Wederkerende werkwoorden 

Slide 8 - Slide

1. Presente
timer
10:00

Slide 9 - Slide

Woorden waarmee je de Presente Perfecto
kunt herkennen
Signaalwoorden:

Ejemplo: Este año no he ido de vacaciones
Voorbeeld: Dit jaar ben ik niet op vakantie geweest.


Ejemplo: Has estado alguna vez en Amsterdam?
Voorbeeld: Ben je wel eens in Amsterdam geweest?

Slide 10 - Slide

Perfecto (uitzonderingen)
abrir - abierto
decir - dicho
escribir - escrito
ir - ido
hacer - hecho
poner - puesto
ver - visto
volver - vuelto
romper - roto
ser - sido
morir - muerto

Slide 11 - Slide

perfecto vs presente
perfecto 
signaalwoorden + gebruik
presente 
signaalwoorden + gebruik
Hoy, esta mañana, esta semana, ya, aún, todavía (no), (no) nunca, jamás, alguna vez, últimamente, cinco años/ dos semanas, muchas/varias veces. 


Het heeft nog (emotionele) betrekking op het heden.
Siempre, Normalmente, A menudo, Frecuentemente, A veces, De vez en cuando, Todos los días / meses / años, Cada semana / año, Los lunes / los fines de semana, ahora 

gewoontes, feiten, feiten in het heden of acties die nu plaatsvinden

Slide 12 - Slide

Zinsvolgorde
Er zijn verschillen tussen de woordvolgorde in het Spaans en in het Nederlands. Het belangrijkste verschil is dat alle werkwoorden in het Spaans bij elkaar staan.

- Volgorde 🡪 Onderwerp (ow) + alle werkwoord(en) (ww) + de rest van de zin.
Voorbeeld:
Ik koop een cadeau.                                                    Compro un regalo
Ik wil een cadeau kopen                                             Quiero comprar un regalo

Slide 13 - Slide

Tijdsbepalingen
helemaal vooraan of helemaal achteraan in de zin.
Voorbeeld:
Morgen ga ik niet naar school        Mañana no voy a ir al colegio
Morgen ga ik niet naar school        No voy a ir al colegio mañana


Slide 14 - Slide

Concordantie bijvoeglijk naamwoord:
Het bijvoeglijk naamwoord past zich in getal en geslacht aan het zelfstandig naamwoord, ook als het erachter staat (wat in het Spaans meestal het geval is) 

de aardige mensen                                        la gente simpática 🡪 enkelvoud en vrouwelijk
het knappe meisje                                        la chica simpática 🡪 enkelvoud en vrouwelijk
de grote jongens                                          los chicos altos 🡪 meervoud en mannelijk
enkele knappe meisjes                               unas chicas guapas 🡪 meervoud en vrouwelijk

Slide 15 - Slide

Hoe maak je een goede zin?
Onderwerp +  werkwoord(en) + hoe, waar, wanneer, wat, etc.
Yo + como + un postre
Rosa + habla + rapidamente
El gato+ es + bonito

Slide 16 - Slide

1. Staan alle werkwoorden bij elkaar?
Los alumnos escriben y hablan sobre las tareas en el libro rojo en la clase

Slide 17 - Slide

2. Staat de ontkenning vóór het vervoegde werkwoord?
Los alumnos no hablan sobre las tareas en el libro rojo en la clase.


Slide 18 - Slide

EXTRA
preposiciones de lugar (hier, daar, op, naast, etc)

Slide 19 - Slide

Preposiciones de lugar 
cerca (de)
dichtbij
lejos (de)
ver weg
debajo (de) 
onder 
encima (de) 
(boven) op
al lado de 
naast 
delante (de)
voor 
detrás (de)
achter
aquí
hier
allí
daar
a la derecha 
rechts 
a la izquierda 
links 
entre
tussen
en
in / op
enfrente (de)
tegenover

Slide 20 - Slide

Practicar con el perfecto
Este año he ido al cine
este verano he nadado en una piscina 
Este fin de semana he ido de compras
Hoy he ido en bici al instituto 
Esta semana he visto mucho la tele
Hoy he utilizado mi ordenador en clase 

Slide 21 - Drag question

¿Qué has hecho en Madrid?
En Madrid he comido tapas.

he visitado el  Museo del Prado.
he visto un partido de fútbol. 
he paseado por el parque del Retiro.

Slide 22 - Drag question

timer
10:00

Slide 23 - Slide

¡A trabajar!
¿Qué?  escritura 
¿Cómo? individualmente  
¿Tiempo? 15 minutos 
¿Objetivo? practicar con el vocabulario 


timer
15:00
Escritura 
Vertel of je op vakantie bent geweest , waarheen, met wie, wanneer:&nbsp;<div>Vertel wat je op vakantie hebt gedaan&nbsp;</div><div>Noem iets leuks en iets minder leuks van je vakantie.: .</div><div>Vraag of hij/zij deze zomer op vakantie is geweest:&nbsp;</div><div>Vraag of hij/zij wel eens in ….. is geweest.&nbsp;</div>

Slide 24 - Slide

¡A escribir!
                                                                                               
Vakantie: (Voltooidtegenwoordige tijd)

  • Vertel of je op vakantie bent geweest , waarheen, met wie, wanneer: Yo he ido a/ estado en/ visitado... con .... en ....
  • Vertel wat je op vakantie hebt gedaan En las vacaciones yo he..., Yo he... y yo he...
  • Noem iets leuks en iets minder leuks van je vakantie.: Me gusta(n) (mucho) ...., No me gusta(n) (nada).....
  • Vraag of hij/zij deze zomer op vakantie is geweest: ¿Has ido de vacaciones este verano?
  • Vraag of hij/zij wel eens in ….. is geweest. ¿Has ido a/ estado en ....?



Slide 25 - Slide

Wat voor cijfer geef je aan jezelf voor schrijfvaardigheid bij Spaans?
010

Slide 26 - Poll