This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Report this lesson
Items in this lesson
Redeneerhulpen
Welke redeneerhulpen kun je gebruiken?
M.Meurs
Slide 1 - Slide
Doelen van de les
1. Aan het eind van de les weet je wat redeneerhulpen zijn
2. Je weet minimaal 4 redeneer hulpen te benoemen en kunt uitleggen hoe ze werken.
3. Je kunt verschillende redeneerhulpen toepassen op een casuïstiek.
Slide 2 - Slide
Wat gaan we doen?
1. Redeneerhulpen, wat weet je nog?
2. Opdracht over redeneerhulpen
3. Oefenen met klinisch redeneren/redeneerhulpen
Slide 3 - Slide
Wat is klinisch redeneren?
Het is de kern van jou inschattingsvermogen als zorgverlener. Hierop ga je bepalen wat je vindt van de situatie maar ook wat je denkt dat er moet gebeuren en waarom.
Slide 4 - Slide
Wat doe je concreet?
1. Monitoren zorgvrager
2. Risico inschatten
3. Bepalen of interventie nodig is
4. Bepalen of extra monitoring nodig is
5. Monitoren effect van de interventie
Terug naar 1!
Dus een continue proces!
Slide 5 - Slide
Wat is de plek van redeneerhulpen?
Ervaren mensen gebruiken vaak kennis, ervaring en reflectievaardigheden om tot de beste zorg te komen.
Niet iedereen heeft dit.
Daarom protocollen, scoresystemen, classificatiesystemen- dit zijn redeneerhulpen.
Hulpmiddel om gezondheidssituatie in kaart te brengen.
Elk tweetal krijgt 1 of 2 (afh van de groepsgrootte) van de onderstaande redeneerhulpen. Leg in 30 sec uit wat ze inhouden. En noem een voorbeeld van een situatie (praktisch) waarin je deze zou kunnen gebruiken/inzetten.
SBARR/ EWS/ EMV/ SIRS criteria/ AVPU/ ABCDE-methode/SOAP/ anamnese volgens Gordon/ FAST-methode/SCEGS/DOS schaal/VAS of NRS/ICF classificatie/ OMAHA systeem/AMPLE/ 4 zorgleefdomeinen.
Slide 9 - Slide
Opdracht toepassen
Ga naar studie informatie daar vind je de opdracht voor het maken van een filmpje.
Slide 10 - Slide
Presentatie filmpjes
Slide 11 - Slide
Zijn de doelen behaald?
1. Aan het eind van de les weet je wat klinisch redeneren is
2. Je weet ook wat kritische momenten zijn in het klinisch redeneren.
3. Je weet minimaal 4 redenatie hulpen te benoemen en kunt uitleggen hoe ze werken.
Slide 12 - Slide
Vragen?
Volgende les:
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Even oefenen met klinisch redeneren
Slide 15 - Slide
Mw Bos zie je lopen met haar rollator en ze sleept wat met haar rechter been. Wat kan er aan de hand zijn? Wat ga je doen?
Slide 16 - Open question
Hr de Leeuw is laatst gevallen tegen een kastje. Hij heeft nog steeds wat pijn en komt slecht uit bed. Hij krijgt wat last van zijn hakken. Wat zou je doen?
Slide 17 - Open question
Hr van Veen is al een tijdje opgenomen i.v.m dementie, nu valt je op dat hij erg in de war is. Meer dan je gewend bent. Wat doe je?
Slide 18 - Open question
Evaluatie les
Hoe was de les voor jullie? Wat was goed, wat was minder?
Tot volgende week!
Slide 19 - Slide
Hr Krabbendam geef je diclofenac omdat hij pijn heeft na een heupoperatie. Na enkele uren krijgt hij last van zijn maag en pijn achter zijn borstbeen. Waar denk je aan? Wat is je interventie? Wat doe je daarna?
Slide 20 - Open question
Mw Bakker heeft al een dag niet geplast. Wat kan er aan de hand zijn?