Jezelf presenteren: trends in sport en bewegen
Jezelf presenteren: trends in sport en bewegen
Wat weet jij al over trends in sport en bewegen?
Leerdoel van deze les
Aan het einde van deze les kun je uitleggen wat trends en ontwikkelingen zijn aan de hand van voorbeelden uit sport en bewegen. Ook kun je een onderzoeksvraag maken bij een gekozen trend.
Wat zijn trends en ontwikkelingen?
Trends zijn veranderingen die zichtbaar zijn in een groep of een sector, zoals sport. Ontwikkelingen zijn processen waarbij dingen stap voor stap veranderen, bijvoorbeeld hoe sporten met technologie steeds populairder worden.
Voorbeelden uit sport en bewegen
Denk aan sporten in het park (urban sports) of meer aandacht voor gezonde voeding bij sportclubs: deze zijn voorbeelden van huidige trends in sport en bewegen.
Straatcultuur als bron van trends
Sommige trends ontstaan op straat. Voorbeelden zijn de skatecultuur of panna-knock-out, waarbij kinderen voetballen en proberen elkaar door de benen te spelen.
Aan de slag: onderwerp en trend kiezen
Kies een trend die jij interessant vindt. Bijvoorbeeld technologie in sport, urban sports, gezonde leefstijl of e-sports.
Voorbeeldtrend: technologie in sport
Denk aan trainen met een Apple Watch, sportapps of data verzamelen tijdens het sporten. Dit helpt sporters hun prestaties te verbeteren.
Voorbeeldtrend: urban sports
Urban sports zijn sporten die buiten, meestal in de stad, gedaan worden zoals freerunnen of calisthenics. Ze zijn laagdrempelig en vaak samen met vrienden.
Je onderzoeksvraag maken
Wat merkt mijn stageplek van deze trend en wat moet ik kunnen?
1. Wat is de trend? 2. Hoe is de trend ontstaan? 3. Wie is de doelgroep? 4. Welke materialen zijn nodig?
Deelvragen
Hoofdvraag
Informatie verzamelen
Gebruik minimaal twee bronnen: internet (zoals allesoversport.nl) en de praktijk (interview op stage, club of buurtplein).
Wat betekent dit voor jou?
Denk na: wat moet jij straks goed kunnen om deze trend te begeleiden? Past deze trend bij jou? Waarom (niet)?
Reflectie en afsluiting
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.