Stijlfouten

1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Stijlfout
= fout in formulering van zin of zinsdeel


Anders dan bijv. spelfout

Slide 4 - Slide

Stijlfouten

-  woordenwisseling
-  incongruentie


Slide 5 - Slide

Woordenwisseling

Contaminatie: door elkaar gebruiken van twee woorden of uitdrukkingen.

 nachecken --> nakijken en checken
 verexcuseren --> verontschuldigen en excuseren

Slide 6 - Slide

Woordenwisseling

Pleonasme: overbodig woordgebruik

- vloeibaar water
- iets opnieuw herhalen

Slide 7 - Slide

Woordenwisseling
Tautologie: betekenis van een woord of begrip wordt herhaald

Meteen toen hij het nieuws hoorde, is hij onmiddellijk naar huis gegaan.

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

(in)congruentie
Congruentie: een woord past zich aan het andere woord aan 
onderwerp meervoud --> persoonsvorm meervoud

ik heb --> wij hebben

incongruentie: woorden passen niet bij elkaar
De leraren schrijft op het bord'.


Slide 10 - Slide

Incongruentie van getal
onderwerp en persoonsvorm passen niet bij elkaar

Niet: De reeks wedstrijden zullen na de kerst gespeeld worden.

Maar: De reeks wedstrijden zal na de kerst
gespeeld worden. 

Slide 11 - Slide

(in)congruentie van getal

Niet: Gevoelige data moet goed beveiligd worden.

Maar: Gevoelige data moeten goed beveiligd worden.

Slide 12 - Slide

Wat is goed?
  • 30 procent van de mensen zijn vaker dan eenmaal per jaar ziek.
  • 30 procent van de mensen is vaker dan eenmaal per jaar ziek. 

  • Een aantal mensen komen altijd te laat.
  • Een aantal mensen komt altijd te laat.

  • De toets werd nagekeken en de resultaten bekend gemaakt.
  • De toets werd nagekeken en de resultaten werden bekend gemaakt. 

Slide 13 - Slide

Wat is goed? Antwoorden
  • 30 procent van de mensen zijn vaker dan eenmaal per jaar ziek.
  • 30 procent van de mensen is vaker dan eenmaal per jaar ziek. 

  • Een aantal mensen komen altijd te laat.
  • Een aantal mensen komt altijd te laat.

  • De toets werd nagekeken en de resultaten bekend gemaakt.
  • De toets werd nagekeken en de resultaten werden bekend gemaakt. 

Slide 14 - Slide

Onjuist verwijswoord

Verwijswoord wijst niet goed terug naar het woord waar het naar verwijst

Niet: Ze was een persoon dat iedereen liefhad.

Maar: Ze was een persoon die iedereen liefhad.
Waarom?

Slide 15 - Slide

Regel DIE of DAT
DAT wanneer het verwijst naar een woord waar 'het' voor staat of waar je 'het' voor kunt zetten. Een meisje DAT.... (want het is HET meisje).
DIE wanneer het verwijst naar een woord waar 'de' voor staat of waar je 'de' voor kunt zetten en bij meervoud. Een jongen DIE (want het is de jongen). De meisjes DIE (want het is meervoud). 

Slide 16 - Slide

WAT
Het verwijswoord 'wat' gebruik je in deze gevallen:
  • Als het verwijst naar woorden als 'iets', 'niets', 'alles', 'dat' en 'datgene': Ik vind alles wat in de etalage ligt mooi. 
  • Als het verwijst naar een hele zin: Wij moesten uren wachten op de bus, wat we erg vervelend vonden.
  • Als het na een voorzetsel komt: Hij moet boeten voor wat hij heeft gedaan.
  • Als het verwijswoord direct na een overtreffende trap komt. Dat zijn woorden als ‘mooiste’, ‘leukste’, ‘vervelendste’ en ‘heftigste’: Dat is het leukste wat ik ooit heb gedaan.
  • Maar let op: als er achter de overtreffende trap nog een zelfstandig naamwoord komt, gebruik je ‘die’ of ‘dat’.
Die alpaca is het leukste dier dat ik ooit gezien heb.

Slide 17 - Slide

WIE
‘Waarmee’ gebruik je als je verwijst naar dingen, ‘met wie’ gebruik je als je verwijst naar personen.
Voorbeelden:
Het racket waarmee ik tegen de bal geslagen heb. (ding)
Het meisje met wie ik naar het feest ga. (persoon)

Slide 18 - Slide