Hoofdstuk 7 paragraaf 3

H7 §3
H7: geld voor de overheid.

§3: Loon- inkomstenbelasting
1 / 10
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 10 slides, with text slides.

Items in this lesson

H7 §3
H7: geld voor de overheid.

§3: Loon- inkomstenbelasting

Slide 1 - Slide

Vandaag:
Lesdoel
Uitleg 
Aan de slag

Slide 2 - Slide

Lesdoel
Aan het einde van deze les kunnen jullie uitleggen:
  • wat de loon- en inkomstenbelasting is en hoe deze toegepast wordt


Slide 3 - Slide

Loonstrookje
  • Loonstrook: een overzicht van je loon.
  • Nettoloon: het inkomen dat er op je loonstrook
  • Brutoloon: het loon dat je krijgt.
  • Van het nettoloon gaan bepaalde heffingen af.
  • Deze gaan naar de sociale zekerheid en de overheid.

Slide 4 - Slide

Belastingdienst
  • De werkgever houdt loon in, dit is de loonheffing.
  • Dit is een vorm van belasting, gaat dus ook naar de overheid.
  • Loonheffing bestaat uit twee delen:
  • Loonbelasting: bestemd voor uitgaven van de overheid.
  • Premies volksverzekeringen: bestemd voor sociale uitkeringen.

Slide 5 - Slide

De overheid maakt verschil
  • De hoogte van de loonheffing kan verschillen.
  • Over het algemeen: hoe hoger je loon, hoe hoger de heffing.
  • Bij laag inkomen geen loonheffing.

Slide 6 - Slide

Jaaropgave
  • Overzicht van je loon op jaarbasis.
  • Ook overzicht heffingen.
  • Handig bij belastingaangifte.
  • Als jong persoon kan je de loonheffing terugvragen.

Slide 7 - Slide

Belasting over de winst
  • Als zelfstandig ondernemer krijg je geen loon.
  • Je betaald jezelf uit de winst.
  • Over deze betaling moet je belasting betalen.
  • Dit heet inkomstenbelasting.
  • Tarieven zijn hetzelfde als bij “gewoon” loon.

Slide 8 - Slide

Inkomsten van de overheid
  • Werknemers betalen loonheffing, behalve als ze een laag inkomen hebben.
  • In loonheffing zit ook loonbelasting.
  • Dit zijn belangrijke inkomsten voor de overheid.

Slide 9 - Slide

Aan de slag!
  • Ga aan de slag met H7 §3
  • Zorg dat je ook de rekentrainer maakt. 
  • Klaar? Maak versterk jezelf. 
  • Je werkt voor jezelf. 
  • Je mag een rekenmachine gebruiken (geen telefoon).
  • Je werkt in stilte.










Slide 10 - Slide