De kleine bronchieën vertakken zich meerdere malen totdat uiteindelijk de kleinste buisjes gevormd worden, de bronchioli. Elke bronchioli mondt uit in een trechtertje. De wand bestaat uit glad spierweefsel die erg elastisch is.
Elke bronchiole vertakt zich in een of meerer longtechterjes. Geen bindweefsel en geen glad spierweefsel.. Het trechtertje bevat heel veel blaasjes (alveoli) Ong 900.000.000!! .Rondom de alveoli ligt een capillaire membraam. Bloed met veel CO2 en weining O2 wordt door de capillairen aangeboden. Daar diffundeert CO2 naar de alveoli. Zuurstof diffundeert naar de capillair. Zuurstof bindt zich aan Hb.
Hb + O2= H+ + HbO2 (oxyglobuline)
Komt dus extra H+ion vrij.
Dit H+ ion bindt zich aan bicarbonaat.
H+ + HCO3= H2CO3= H2O + CO2
Opname van zurstof in het bloed stimuleert de afgifte van CO2 aan de longblaasjes. Het water wordt door het bloed meegenomen.
In weefsels gebeurt eigenlijk het omgekeerde:
Cellen produceren CO2.
CO2 + H2O= H2CO3=H+ + HCO3
H+ verdringt O2 op het Hb.
Zuurstof komt vrij en kan naar de weefsels diffunderen.
Uiteindelijk zal het zuurstof rijke bloed door de v pulmonalis aan het linker atrium aangeboden worden.
Diffusie
De long is zo gebouwd dat op de meest efficiënte wijze gassen kunnen worden uitgewisseld tussen ingeademde lucht en langsstromend bloed. De uitwisseling van gas vindt plaats in de alveoli, in de alveocappilaïre membraam.
De alveoli zijn bekleed met type I en type II cellen. Type I cellen bekleden de alveoli voor 95%. Type II cellen produceren surfactans. Surfactans verlaagt de oppervlaktespanning in de alveoli, waardoor het collaberen van alveoli wordt voorkomen. De alveoli worden gescheiden door een septum. In dit septum bevindt zich het cappilaire netwerk.
In het cappilaire netwerk vindt diffusie van O2 en CO2 plaats. Diffusie betekent het verplaatsen van stoffen vanaf een plaats met een hoge concentratie naar plaatsen met een lage concentratie.
Vraag: noem eens een ziektebeeld waarbij problemen zijn in de ventilatie t.g.v een perfusieprobleem (longembolie) en een ziektebeeld waarbij een diffusieprobleem (ARDS of longoedeem) op de voorgrond staat.
COPD
Bij chronische bronchitis zijn de oorzaken vaak ontstekingsprocessen in de kleine luchtwegen, de bronchioli. De bronchusklieren zijn vergroot waardoor overmatig veel slijm wordt geproduceerd. Die ontstaat door littekenvorming in de wand, het gladde spierweefsel, van de bronchiën. Hierdoor zwellen de slijmvliezen op waardoor een gedeeltelijke obstructie van de luchtwegen ontstaat.
Bij een emfyseem is de wand van de longblaasjes beschadigd. De longblaasjes zijn in trosjes met de kleine luchtwegen (bronchioli) verbonden en hebben een stugge structuur die de luchtwegen open houden. Verliezen de bronchiolen echter hun stevigheid door de beschadigingen, dan zakken deze tijdens de uitademing in elkaar. De luchtblaasjes van de longen (alveoli) worden steeds verder uitgerekt waardoor een structureel blijvende schade ontstaat.