Grammatica Blok 3 klas 1 TH

Grammatica blok 3
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 17 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Grammatica blok 3

Slide 1 - Slide

Lesplanning
Lesdoel
Weet je het nog?  -> Zinsontleding (3.3)
 Woordsoortbenoeming -> uitleg
Zelfstandig werken
Einde les 

Slide 2 - Slide

Lesdoel
Je kan:
  • De persoonsvorm, het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp in een zin vinden
  • Het bouwplan van een zin maken
  • De woordsoorten benoemen: lw, znw, bnw, vz

Slide 3 - Slide

Grammatica 3.3

Slide 4 - Slide

De persoonsvorm (pv)
Vind je door: 
  • de zin in een andere tijd te zetten:  tt <-> vt
Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm!

Vb.
Sophie is blij met haar nieuwe fiets.
Sophie was blij met haar nieuwe fiets.



Slide 5 - Slide

Bouwplan van een zin
Peter | heeft | gisteren | het huiswerk | gemaakt.

Wie doet het?
Wat gebeurt er?
Wat?
Welk stukje blijft over? 
Hoeveel zinsdelen tel je?

Slide 6 - Slide

Werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden in een zin
Soms staat voor het hele ww het woordje 'te'. 
Dan geldt:
pv + te + hele ww(-en) = wwgez 

vb. Liz vindt het lastig zoveel huiswerk te moeten maken.

Slide 7 - Slide

Het onderwerp
Wie/wat + pv/wwg

vb. Frank maakt zijn huiswerk.

Slide 8 - Slide

Woordsoortbenoeming
  • ww
  • lw
  • znw
  • bnw
  • vz 

Slide 9 - Slide

werkwoord (ww)
  • Werkwoorden zijn dingen die je kunt doen.
       fietsen, lopen, spelen, kruipen, klappen, slapen…
  • geeft aan dat er gebeurt iets.
       sneeuwen, hagelen, waaien, regenen…
  • geeft aan dat iemand is iets.
       zijn, worden, lijken, blijven…
  • Werkwoorden kunnen veranderen in de zin.
       Ze geven aan in welke tijd (tegenwoordige of verleden tijd) de zin staat.

Slide 10 - Slide

Lidwoord (lw)
Lidwoorden staan vóór het zelfstandig naamwoord. 
Er zijn drie lidwoorden:

  • de
  • het ('t)
  • een ('n)




Slide 11 - Slide

zelfstandig naamwoord (znw)
Zelfstandig naamwoorden zijn woorden waar je een lidwoord voor kunt zetten: 
  • dieren
  • mensen
  • dingen
  • aardrijkskundige namen (plaatsen, rivieren etc.)
  • (eigen)namen





Slide 12 - Slide

bijvoeglijk naamwoord (bnw)
  • zegt iets over een zelfstandig naamwoord
  • geeft een eigenschap of kenmerk van het zelfstandig naamwoord aan
  • staan vaak voor een zelfstandig naamwoord


Slide 13 - Slide

voorzetsel (vz)
de meeste voorzetsels kun je invullen op de puntjes:
..... de kamer
..... het feest
...... het bureau
....... de kast
Een vz staat nooit los in een zin -> altijd onderdeel van een zinsdeel

Slide 14 - Slide

Het onderwerp
Wie/wat + pv/wwg

vb. Frank maakt zijn huiswerk.

Slide 15 - Slide

Zelfstandig werken
Maak de opdrachten 9, 10 en 11 van 3.3 -> 
Blok 3, Grammatica 

- Stilte
- oortjes in mag
- heb je een vraag dan steek je je vinger op
timer
10:00

Slide 16 - Slide

Einde les
Korte samenvatting
Nog vragen?

Huiswerk voor volgende keer: 
Grammatica blok 3 opdrachten
tot en met 11 maken!
                                                                

Slide 17 - Slide