woordenschat Taalcompleet A1 thema 3 deel 4

Woorden Taalcompleet
Thema 3 deel 4
A1
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Woorden Taalcompleet
Thema 3 deel 4
A1

Slide 1 - Slide

Woorden
te huur
Dit huis is te huur.

Slide 2 - Slide

Woorden
het internet

Slide 3 - Slide

Woorden
nu
Het is 9 uur .
De les begint nu!

Slide 4 - Slide

Woorden
Per 
(= voorzetsel)
 
voorbeelden:
Die boeken kosten een tientje per stuk  (per = gerekend naar 1)
We reizen per bus  (per = met de)
Per 1 januari gaan we om zes uur dicht (per = met ingang van)


Slide 5 - Slide

Woorden
de prijs
Wat is de prijs van deze broek?

Slide 6 - Slide

Woorden
Rustig
De vrouw is rustig.

Slide 7 - Slide

Woorden
zonder
Zij drinkt koffie zonder suiker.

Slide 8 - Slide

xxx

Zoeken
ik zoek
jij zoekt
hij zoekt
zij zoekt
wij zoeken
jullie zoeken
zij zoeken
v
v
lachen
ik lach
jij lacht
hij lacht
zij lacht
wij lachen
jullie lachen
zij lachen
Woorden
.

Slide 9 - Slide

xxx

Liggen
ik lig
jij ligt
hij ligt
zij ligt
wij liggen
jullie liggen
zij liggen
v
v
pakken
ik pak
jij pakt
hij pakt
zij pakt
wij pakken
juliie pakken
zij pakken
Woorden
.

Slide 10 - Slide

vinden

vinden
ik vind
jij vindt
hij vindt
zij vindt
wij vinden
jullie vinden
zij vinden
v
v
kunnen
ik kan 
jij kunt
hij kan
zij kan
wij kunnen
jullie kunnen
zij kunnen
Woorden
.
Ik kan fietsen.

Slide 11 - Slide


Maak een zin in enkelvoud met het werkwoord:
zoeken

Slide 12 - Open question


Maak een zin in enkelvoud met het werkwoord:
kunnen

Slide 13 - Open question


Maak een zin in enkelvoud met het werkwoord:
lachen

Slide 14 - Open question


Maak een zin in enkelvoud met het werkwoord:
liggen

Slide 15 - Open question


Maak een zin in enkelvoud met het werkwoord:
vinden

Slide 16 - Open question


Maak een zin in enkelvoud met het werkwoord:
vinden

Slide 17 - Open question


Maak een zin in enkelvoud met het werkwoord:
pakken

Slide 18 - Open question


Maak een zin in meervoud met het werkwoord:
zoeken

Slide 19 - Open question


Maak een zin in meervoud met het werkwoord:
kunnen

Slide 20 - Open question


Maak een zin met het woord:
zonder

Slide 21 - Open question