Vandaag gaan we leren over de belangrijkste onderdelen van een kaart en hoe je ze kunt gebruiken om informatie te begrijpen.
We zullen ook ontdekken dat kaarten op verschillende niveaus gemaakt kunnen worden, van een kleine buurt tot de hele wereld.
Slide 7 - Slide
Het lesdoel (2 min)
Docent benoemt het lesdoel en bespreekt kort wat de leerlingen zullen leren en waarom dit belangrijk is.
Leerlingen luisteren naar de leerdoelen en krijgen een duidelijk beeld van wat er van hen verwacht wordt tijdens de les. Uitleg van leerdoelen, korte discussie over belang van de leerdoelen
Lesdoel
Welke onderdelen zie je altijd terug op kaarten?
Waarom denk je dat ze belangrijk zijn?
Slide 8 - Slide
Het lesdoel (2 min)
Docent benoemt het lesdoel en bespreekt kort wat de leerlingen zullen leren en waarom dit belangrijk is.
Leerlingen luisteren naar de leerdoelen en krijgen een duidelijk beeld van wat er van hen verwacht wordt tijdens de les. Uitleg van leerdoelen, korte discussie over belang van de leerdoelen
Topografie
Deze periode leer je het onderstaande:
De continenten en de oceanen
Slide 9 - Slide
Het lesdoel (2 min)
Docent benoemt het lesdoel en bespreekt kort wat de leerlingen zullen leren en waarom dit belangrijk is.
Leerlingen luisteren naar de leerdoelen en krijgen een duidelijk beeld van wat er van hen verwacht wordt tijdens de les. Uitleg van leerdoelen, korte discussie over belang van de leerdoelen
world-geography-games.com
Slide 10 - Link
This item has no instructions
Voorkennis
1. De leerlingen weten wat een kaart is.
2. De leerlingen weten wat schaal is.
3. De leerlingen weten wat de windrichtingen zijn.
Slide 11 - Slide
Welke voorkennis is nodig voor het doel. Controleer of de leerlingen deze voorkennis beheersten door het stellen van Controle van Begrip vragen
Kaartelementen
- Titel
- Legenda
- Schaal
- Noordpijl
Slide 12 - Slide
Hoe hoge hoe kouder.
Hoe verder van de evenaar hoe kouder.
Kaartelementen
1. Noordpijl
2. Legenda
3. Schaal
4. Titel
De pijl op een kaart die aangeeft waar het noorden is.
Een lijst op een kaart die de betekenis van symbolen en kleuren uitlegt.
De verhouding tussen afstanden op de kaart en de werkelijke afstanden.
De naam of beschrijving van de inhoud van de kaart.
Slide 13 - Slide
Hoe hoge hoe kouder.
Hoe verder van de evenaar hoe kouder.
Goede kaart?
Slide 14 - Slide
This item has no instructions
Afstand en schaal
Absolute afstand
Relatieve afstand
Slide 15 - Slide
Hoe hoge hoe kouder.
Hoe verder van de evenaar hoe kouder.
Afstand hemelsbreed?
Slide 16 - Slide
This item has no instructions
Schaalniveau
Uitzoomen
Inzoomen
Slide 17 - Slide
Hoe hoge hoe kouder.
Hoe verder van de evenaar hoe kouder.
Vraag
Voorbeeld
Soort kaart
Schaalniveau
Een kaart die de bevolkingsdichtheid in heel Europa toont
Een kaart van een stad die de ligging van scholen en parken weergeeft
Een kaart die de temperatuurverschillen over de hele wereld toont
Een kaart van een provincie die de belangrijkste wegen en rivieren toont
Slide 18 - Slide
This item has no instructions
Controle van begrip: Welke 4 kaartelementen moet je controleren wanneer je een kaart bekijkt?
Slide 19 - Open question
Antwoord 1: Breedteligging beïnvloedt de hoeveelheid zonnestraling die een gebied ontvangt. Gebieden dichter bij de evenaar (zuidelijke Verenigde Staten) ontvangen meer directe zonnestraling en zijn daarom warmer, terwijl gebieden verder van de evenaar (noordelijke Verenigde Staten) minder directe zonnestraling ontvangen en kouder zijn.
Antwoord 2: Hoogteligging beïnvloedt de temperatuur doordat de temperatuur gemiddeld met ongeveer 0,6°C daalt voor elke 100 meter stijging. In bergachtige gebieden zoals de Rocky Mountains betekent dit dat hogere delen koeler zijn dan de lagere delen.
Antwoord 3: Aanlandige wind brengt vochtige lucht van de zee naar het land, wat leidt tot meer neerslag en mildere temperaturen aan de westkust. Aflandige wind brengt droge lucht van het land naar de zee, wat resulteert in minder neerslag en grotere temperatuurschommelingen aan de oostkust.
Antwoord 4: De loefzijde van een berg is de kant waar de wind tegenaan waait en neerslag veroorzaakt doordat de lucht opstijgt en afkoelt. De lijzijde is de regenschaduwkant waar de lucht daalt en opwarmt, wat resulteert in minder neerslag en een droger klimaat.
Controle van begrip: Hoe beïnvloedt de schaal van een kaart de hoeveelheid detail die je kunt zien?
Slide 20 - Open question
Antwoord 1: Breedteligging beïnvloedt de hoeveelheid zonnestraling die een gebied ontvangt. Gebieden dichter bij de evenaar (zuidelijke Verenigde Staten) ontvangen meer directe zonnestraling en zijn daarom warmer, terwijl gebieden verder van de evenaar (noordelijke Verenigde Staten) minder directe zonnestraling ontvangen en kouder zijn.
Antwoord 2: Hoogteligging beïnvloedt de temperatuur doordat de temperatuur gemiddeld met ongeveer 0,6°C daalt voor elke 100 meter stijging. In bergachtige gebieden zoals de Rocky Mountains betekent dit dat hogere delen koeler zijn dan de lagere delen.
Antwoord 3: Aanlandige wind brengt vochtige lucht van de zee naar het land, wat leidt tot meer neerslag en mildere temperaturen aan de westkust. Aflandige wind brengt droge lucht van het land naar de zee, wat resulteert in minder neerslag en grotere temperatuurschommelingen aan de oostkust.
Antwoord 4: De loefzijde van een berg is de kant waar de wind tegenaan waait en neerslag veroorzaakt doordat de lucht opstijgt en afkoelt. De lijzijde is de regenschaduwkant waar de lucht daalt en opwarmt, wat resulteert in minder neerslag en een droger klimaat.
Controle van begrip: Je ziet een kaart zonder een noordpijl. Hoe kun je nog steeds bepalen waar het noorden is?
Slide 21 - Open question
Antwoord 1: Breedteligging beïnvloedt de hoeveelheid zonnestraling die een gebied ontvangt. Gebieden dichter bij de evenaar (zuidelijke Verenigde Staten) ontvangen meer directe zonnestraling en zijn daarom warmer, terwijl gebieden verder van de evenaar (noordelijke Verenigde Staten) minder directe zonnestraling ontvangen en kouder zijn.
Antwoord 2: Hoogteligging beïnvloedt de temperatuur doordat de temperatuur gemiddeld met ongeveer 0,6°C daalt voor elke 100 meter stijging. In bergachtige gebieden zoals de Rocky Mountains betekent dit dat hogere delen koeler zijn dan de lagere delen.
Antwoord 3: Aanlandige wind brengt vochtige lucht van de zee naar het land, wat leidt tot meer neerslag en mildere temperaturen aan de westkust. Aflandige wind brengt droge lucht van het land naar de zee, wat resulteert in minder neerslag en grotere temperatuurschommelingen aan de oostkust.
Antwoord 4: De loefzijde van een berg is de kant waar de wind tegenaan waait en neerslag veroorzaakt doordat de lucht opstijgt en afkoelt. De lijzijde is de regenschaduwkant waar de lucht daalt en opwarmt, wat resulteert in minder neerslag en een droger klimaat.
Controle van begrip: Geef een voorbeeld van een kaart op nationaal schaalniveau
Slide 22 - Open question
Antwoord 1: Breedteligging beïnvloedt de hoeveelheid zonnestraling die een gebied ontvangt. Gebieden dichter bij de evenaar (zuidelijke Verenigde Staten) ontvangen meer directe zonnestraling en zijn daarom warmer, terwijl gebieden verder van de evenaar (noordelijke Verenigde Staten) minder directe zonnestraling ontvangen en kouder zijn.
Antwoord 2: Hoogteligging beïnvloedt de temperatuur doordat de temperatuur gemiddeld met ongeveer 0,6°C daalt voor elke 100 meter stijging. In bergachtige gebieden zoals de Rocky Mountains betekent dit dat hogere delen koeler zijn dan de lagere delen.
Antwoord 3: Aanlandige wind brengt vochtige lucht van de zee naar het land, wat leidt tot meer neerslag en mildere temperaturen aan de westkust. Aflandige wind brengt droge lucht van het land naar de zee, wat resulteert in minder neerslag en grotere temperatuurschommelingen aan de oostkust.
Antwoord 4: De loefzijde van een berg is de kant waar de wind tegenaan waait en neerslag veroorzaakt doordat de lucht opstijgt en afkoelt. De lijzijde is de regenschaduwkant waar de lucht daalt en opwarmt, wat resulteert in minder neerslag en een droger klimaat.
Zelf aan de slag
De __________ geeft aan waar het noorden ligt op een kaart.
De __________ helpt je de betekenis van symbolen en kleuren op een kaart te begrijpen.
Een __________ toont de verhouding tussen afstanden op de kaart en werkelijke afstanden.
Slide 23 - Slide
Noordpijl
Legenda
Schaal
Zelf aan de slag
Het __________ van een kaart beschrijft waar de kaart over gaat.
Een kaart op __________ schaal toont veel detail van een klein gebied.
Een kaart op __________ schaal geeft een overzicht van een groot gebied, zoals een continent of de wereld.
Slide 24 - Slide
Titel
lokale
mondiale
Zelf aan de slag
Voor een stadsplattegrond gebruik je een __________ schaalniveau.
Voor het weergeven van wereldwijde klimaatpatronen zou je een kaart op __________ schaalniveau gebruiken.
De __________ van een kaart is essentieel om de kaart correct te kunnen oriënteren.
Slide 25 - Slide
lokaal
mondiaal
noordpijl
Kleine afsluiting
Noordpijl
Legenda
Schaal
Titel
Lokaal
Mondiaal
Nationaal
Continentaal
Regionaal
Absolute afstand
Relatieve afstand
Slide 26 - Slide
Kleine lesafsluiting (5 min)
Docent controleert begrip door opdrachten of vragen die de begrippen en vaardigheden van het lesdoel toetsen.
Leerlingen werken zelfstandig of in een groepje aan opdrachten, kunnen vragen stellen aan de docent maar werken grotendeels zelfstandig.
Controle van begrip vragen
Grote afsluiting
Vandaag gaan we leren over de belangrijkste onderdelen van een kaart en hoe je ze kunt gebruiken om informatie te begrijpen.
We zullen ook ontdekken dat kaarten op verschillende niveaus gemaakt kunnen worden, van een kleine buurt tot de hele wereld.
Slide 27 - Slide
Het lesdoel (2 min)
Docent benoemt het lesdoel en bespreekt kort wat de leerlingen zullen leren en waarom dit belangrijk is.
Leerlingen luisteren naar de leerdoelen en krijgen een duidelijk beeld van wat er van hen verwacht wordt tijdens de les. Uitleg van leerdoelen, korte discussie over belang van de leerdoelen
Grote afsluiting
🔲 Ik kan uitleggen waarvoor je een plattegrond gebruikt.
🔲 Ik kan uitleggen wat je op een thematische kaart ziet.
🔲 Ik kan uitleggen wat het doel is van een overzichtskaart.
🔲 Ik kan uitleggen hoe de Mercatorprojectie vervormingen laat zien.
🔲 Ik kan informatie over Nederland aflezen van een thematische kaart.
Slide 28 - Slide
Het lesdoel (2 min)
Docent benoemt het lesdoel en bespreekt kort wat de leerlingen zullen leren en waarom dit belangrijk is.
Leerlingen luisteren naar de leerdoelen en krijgen een duidelijk beeld van wat er van hen verwacht wordt tijdens de les. Uitleg van leerdoelen, korte discussie over belang van de leerdoelen
Vraag 1
Reproductie
Een kaart van een stad bevat verschillende kaartelementen.
-> Noem twee kaartelementen die je op deze kaart zou kunnen vinden.
Slide 29 - Slide
Twee kaartelementen die je op de kaart kunt vinden zijn de legenda en de schaal.
Vraag 2 Toepassing 1
Op een kaart van een groot gebied zie je een schaal van 1:1.000.000.
-> Leg uit wat deze schaal betekent voor de details die je op de kaart kunt zien.
Slide 30 - Slide
De schaal van 1:1.000.000 betekent dat 1 cm op de kaart overeenkomt met 1.000.000 cm (of 10 km) in werkelijkheid. Hierdoor zie je minder details, omdat een groot gebied op een kleine ruimte wordt afgebeeld.
Vraag 3 Toepassing 2
Je bekijkt een thematische kaart van Europa waarop de bevolkingsdichtheid per land te zien is. De schaal van de kaart is continentaal.
-> Geef een voorbeeld van een kaart die je op een regionaal schaalniveau
zou kunnen gebruiken en leg uit waarom dat schaalniveau geschikt is
voor het voorbeeld.
Slide 31 - Slide
Een voorbeeld van een kaart op regionaal schaalniveau is een kaart van de provincie Utrecht waarop wegen en dorpen te zien zijn. Dit schaalniveau is geschikt omdat het gedetailleerde informatie geeft over een relatief klein gebied, zonder dat het te lokaal wordt.
Vraag 4 Inzicht
Je hebt een kaart zonder noordpijl en je wilt weten waar het noorden is. Je gebruikt de positie van de tekst op de kaart om een inschatting te maken.
-> Leg uit hoe je de positie van de tekst kunt gebruiken om de richting van
het noorden te bepalen.
Slide 32 - Slide
De tekst op een kaart wordt meestal zo geplaatst dat de bovenkant van de tekst naar het noorden wijst. Door de tekst te lezen, kun je dus inschatten waar het noorden is, omdat de bovenkant van de letters vaak richting het noorden wijzen.