Quiz eindexamen 24

Quiz eindexamen Nederlands
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 4

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Quiz eindexamen Nederlands

Slide 1 - Slide

Wat neem je mee naar het eindexamen?
A
Pen en schrift
B
Pen, woordenboek en aantekeningen
C
Pen, markeerstift
D
Woordenboek

Slide 2 - Quiz

Hoelang duurt het examen (zonder extra tijd)?
A
120 minuten
B
140 minuten
C
100 minuten
D
90 minuten

Slide 3 - Quiz

Uit hoeveel teksten bestaat het examen?
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 4 - Quiz


Tekstdoel van dit leesboek?
A
Informeren
B
Amuseren
C
Activeren
D
Overtuigen

Slide 5 - Quiz

Welk signaalwoord geeft een tegenstelling aan?
A
want
B
omdat
C
en
D
maar

Slide 6 - Quiz

Sleep de verbanden naar de juiste signaalwoorden
timer
1:00
maar, daarentegen
Bijvoorbeeld, neem nou
Ten eerste, als laatste, ABC
Eerst, vervolgens, daarna
Doordat, waardoor
Tijdsvolgorde
Oorzaak- gevolg
Opsomming
Tegenstelling
Voorbeeld

Slide 7 - Drag question

'De grote ... huis gaat.' (Regels 4-5)
A
Dit citaat is goed
B
Dit citaat is fout

Slide 8 - Quiz

Op welke manier kan een tekst niet worden ingeleid?
Door ….
A
Een deskundige voor te stellen
B
De aanleiding te geven voor het schrijven van de tekst
C
Een conclusie te trekken
D
Een voor de tekst belangrijke vraag te stellen

Slide 9 - Quiz

Sleep het juiste tekstdoel naar het juiste plaatje.

Informeren
Amuseren

Activeren
Overtuigen

Slide 10 - Drag question

Wat wil men weten als er wordt gevraagd naar de aanleiding van het schrijven van de tekst?
A
Hoe de schrijver op het idee is gekomen om de tekst te gaan schrijven
B
Voor wie de tekst bedoeld is (publiek)
C
Wat het doel is van de tekst
D
Welke tekstsoort het is

Slide 11 - Quiz

Een artikel bestaat uit 7 alinea’s. Welke alinea’s vormen hoogstwaarschijnlijk het middenstuk?
A
1 t/m 7
B
2 t/m 7
C
2 t/m 6
D
3 t/m 5

Slide 12 - Quiz

Wat moet je doen als je een tussenkopje moet bedenken voor meerdere alinea’s?
A
Kijken waar de eerste alinea over gaat
B
Kijken waar de hele tekst over gaat
C
Zoeken naar de hoofdgedachte van de tekst
D
Kijken naar de overeenkomst tussen de alinea's

Slide 13 - Quiz

Welk signaalwoord hoort NIET bij het redengevend tekstverband?

A
daarom
B
want
C
omdat
D
daarmee

Slide 14 - Quiz

Welk signaalwoord hoort NIET bij het tekstverband OPSOMMING?

A
bovendien
B
zoals
C
verder
D
ook

Slide 15 - Quiz

welke signaalwoorden horen niet bij elkaar?
A
Maar, daarentegen, echter
B
Op voorwaarde dat, als… dan, indien
C
Waarmee, het doel is, om te
D
Ook, soms, zoals

Slide 16 - Quiz

De oogst is mislukt, doordat het al maanden ontzettend heet is.
Welk tekstverband (en volgorde) zit in deze zin?
A
gevolg - oorzaak
B
oorzaak - gevolg
C
middel - doel
D
doel - middel

Slide 17 - Quiz

Als er gevraagd wordt naar het (tekst)verband tussen alinea 3 en 4, waar ga je dan als eerste kijken?
A
In de eerste zin van alinea 3
B
In de laatste zin van alinea 3
C
In de eerste zin van alinea 4
D
Je leest gewoon het hele stuk door.

Slide 18 - Quiz

Welke uitspraak is niet objectief, dus geen feit?
A
Er wonen in Dubai 2,1 miljoen mensen.
B
In Dubai kun je in de zomer niet buiten voetballen.
C
De meeste inwoners van Dubai komen uit India.
D
In Dubai staat de hoogste toren van de wereld.

Slide 19 - Quiz

Welke uitspraak is niet subjectief?
A
Ik vind PSV een leuke club.
B
Ik hoop dat PSV ieder jaar kampioen wordt.
C
Ajax is de landskampioen van 20/21.
D
Ajax is de beste club van de wereld!

Slide 20 - Quiz

Disney neemt afscheid van de klassieke eigenschappen van de sprookjesprinses.

Rapunzel
afscheid disneyprinsessen
onderwerp
deelonderwerp
hoofdgedachte

Slide 21 - Drag question

Wat staat er boven een artikel?

Slide 22 - Open question

Op welke manier sluit je je artikel af?

A
Voor-en achternaam + woonplaats
B
Voor- en achternaam
C
Met vriendelijke groet, + voor- en achternaam
D
Niets meer na de slotzin.

Slide 23 - Quiz

Wat doe je absoluut niet in een artikel?
A
Groeten
B
Groeten!
C
GROETEN
D
GROETEN!

Slide 24 - Quiz

Welke manier van het noteren van een adres is juist?

A
SG de Overlaat Postbus 259 5104 AG Waalwijk T.a.v. dhr. O. Dooijes
B
SG de Overlaat T.a.v. dhr. O. Dooijes Postbus 259 5104 AG Waalwijk
C
T.a.v. dhr. O. Dooijes SG de Overlaat Postbus 259 5104 AG Waalwijk
D
SG de Overlaat Postbus 259 T.a.v. dhr. O. Dooijes 5104 AG Waalwijk

Slide 25 - Quiz

Wat betekent t.a.v. in een zakelijke brief zoals T.a.v. mw. Roodbol?

A
ter aandacht van
B
te aangeschreven voor
C
ter attentie van
D
te attenderen voor

Slide 26 - Quiz

Welke datum- en plaatsnotering in een zakelijke brief is juist?

A
23 mei 2023, Doorn
B
Doorn, 23-5-2023
C
23-5-23 Doorn,
D
Doorn, 23 mei 2023

Slide 27 - Quiz

Welke conventies gelden niet bij een artikel?

A
Titel
B
Indeling in alinea's
C
Passend taalgebruik
D
Slotformule

Slide 28 - Quiz

Welke aanhef van een zakelijke e-mail is juist als je de naam van de geadresseerde niet weet?
A
Geachte heer/ mevrouw,
B
Geachte hr/vrw,
C
Geachte heer/vrouw,
D
Geachte mr/mvr,

Slide 29 - Quiz

Op welke manier sluit je je zakelijke
e-mail af?
A
M.v.g. + voor- en achternaam
B
Groeten, + voor- en achternaam
C
Met vriendelijke groet, + voor- en achternaam
D
Tot ziens, + voor- en achternaam

Slide 30 - Quiz

Tot slot
- Je bent er klaar voor! :)
- Oefen oude examens  via eindexamensite.nl
- Zorg dat je weet wat er van je verwacht wordt bij het artikel, 
de zakelijke e-mail/ zakelijke brief
- Schrijf je vragen op voor  na de vakantie (13 mei) of 
stuur een berichtje via Teams
- Stuur gemaakte schrijfopdrachten naar mij zodat ik feedback kan geven

Slide 31 - Slide