Les 25 28 maart 2026 (gedeelde les)

Les 25 28 maart 2026 (VO2)
1 / 46
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary EducationAge 12

This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 25 28 maart 2026 (VO2)

Slide 1 - Slide

L25 Wat doen we vandaag? 

Welkom! 
1. WWF world hour 
2. (VO1) Herhaling Spelling paragraaf 10: deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord. 
3. Cursus 7 Spelling §11 (VO1) en §13 (VO2): werkwoordsvormen en werkwoordstijden. 
1. Boekbespreking Toon

5. Lesafsluiting

Slide 2 - Slide

earth hour
Zaterdag 28 maart één uur het licht uit voor de aarde. WWF nodigen jou van harte uit voor onze speciale livestream: 
https://www.earthhour.org/

Slide 3 - Slide

Aandacht voor de aarde
Waarom verdient de aarde aandacht?

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Een speciaal evenement

Het doel van Earth Hour is
dat mensen echt bezig zijn
met de aarde en de natuur.
Wat ook gebeurt door Earth
Hour is een besparing van
stroom. Doordat miljoenen
mensen hun licht uitdoen,
wordt er wereldwijd in dat
uur minder stroom gebruikt.
Dat is niet het belangrijkste
van Earth Hour, maar
natuurlijk ook fijn.
Elk jaar doet Astronaut
André Kuipers ook mee
met Earth Hour. In 2012 niet
vanaf de aarde, maar vanuit
het ruimteschip ISS! Op een
paar honderd kilometer
boven de aarde ging ook 1
uur lang het licht uit.
Er zijn meer ideeën van
mensen om aandacht te
vragen voor de aarde en
duurzaamheid. Zo bestaan
er dagen als ‘Koop Niets
Dag’, waarbij je die dag geen
nieuwe spullen mag kopen.
Of de ‘Nationale Week
Zonder Vlees’.

Slide 7 - Slide

Meedoen met Earth Hour.
Iedereen kan meedoen met Earth Hour. Het is op zaterdag 28 maart van 20:30-21:30 uur. Je hoeft je er niet voor aan te melden en mag
ook best een andere tijd kiezen. Overleg het thuis maar eens! Ouders
kunnen op internet meer informatie vinden.

Slide 8 - Slide

 Werkwoordspelling

Slide 9 - Slide

Hoe vind ik de persoonsvorm in een zin?

Slide 10 - Open question

Hoe vind je de persoonsvorm in een zin? 

  • Vragend maken
  • Tijd veranderen
  • Getal veranderen


Slide 11 - Slide

tegenwoordige tijd
ik : ik-vorm                                    zwem                      word
jij : ik-vorm + t                              zwemt                     wordt
hij/zij/het: ik-vorm + t              zwemt                     word
wij: infinitief                                 zwemmen             worden
jullie: infinitief                             zwemmen             worden
zij: infinitief                                  zwemmen              worden

Slide 12 - Slide

verleden tijd zwakke werkwoorden
ik : ik-vorm + de/te                      beloofde              bakte
jij : ik-vorm + de/te                      beloofde              bakte
hij/zij/het: ik-vorm + de/te      beloofde               bakte
wij: ik-vorm + den/ten               beloofden            bakten
jullie: ik-vorm + den/ten           beloofden            bakten
zij: ik-vorm + den/ten                beloofden             bakten

Slide 13 - Slide

Verleden tijd zwakke ww

verleden tijd van 'doden'? neem de ik-vorm: 
ik dood
en voeg dan toe: de(n) of te(n). Pas het 'k ex-kofschip toe om te kijken of het 'de(n)' of 'te(n)' is. 

Ik doodde 

Slide 14 - Slide

Stam eindigt op:

t-k-f-s-ch-p

dan te(n)



lachen

stam = lach

ik lachte

wij lachten








't(ex)Kofschip:

Verleden tijd van zwakke werkwoorden

Voltooid deelwoord


werken
stam = werk
ik werkte
wij werkten

reizen
stam = reiz (!)
ik reisde
wij reisden

Slide 15 - Slide

Sterke werkwoorden
Bij sterke werkwoorden verandert de klinker in de verleden tijd en eindigt het voltooid deelwoord op 
-en:

lezen - las - gelezen
lopen - liep - gelopen
helpen - hielp - geholpen
wijzen - wees - gewezen

Slide 16 - Slide

Herhaling werkwoorden en voltooid deelwoord (VO1)


deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord 

Slide 17 - Slide

Voltooid deelwoord
De handeling is afgerond (= voltooid).

Er staat in de zin een hulpwerkwoord bij van "hebben", "zijn" of "worden".
Het heeft gevroren. Wij zijn gestart. Jullie worden gekozen.

Het voltooid deelwoord begint vaak met ge-.
Maar dat hoeft niet:
De muis werd verslonden. Hij heeft een programma ontwikkeld.


Slide 18 - Slide

Onvoltooid deelwoord
  • Onvoltooid = nog niet afgerond, nog bezig.
  • Geeft aan hoe iemand bezig is.
Ik wil juichend over de finishlijn gaan.
Huilend liep de leerling de klas uit.

  • Spelling: infinitief + d: lachen + d > lachend
Dansend, springend, fluisterend, nadenkend.

Slide 19 - Slide

Deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord
  • Van een vd en od kun je een bijvoeglijk naamwoord maken.
  • Gebruik de normale spellingsregels. Schrijf zo kort mogelijk.
  • Dus: alleen voor de uitspraak soms -dd of -tt.




  • Let op: vd op -en blijft op -en: gevouwen > het gevouwen blaadje


Slide 20 - Slide

Deelwoord als bijvoeglijk naamwoord:
Het ... (landen) vliegtuig
A
gelandde
B
gelande
C
gelanden
D
gelandte

Slide 21 - Quiz

Deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
De ... (opduiken) armband
A
opgedoke
B
opgedoken
C
opgedokene

Slide 22 - Quiz

Cursus 7 Spelling: par 11. werkwoordstijden (VO1, Herhalling VO2)


ott
ovt
vtt
vvt

Slide 23 - Slide

Werkwoordsvormen
Je hebt geleerd dat werkwoorden verschillende vormen kunnen hebben. Hier staan ze nog eens op een rijtje:
  • infinitief (het hele werkwoord, de wij-vorm): werken, lopen
  • persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt): werk, loop,
  • persoonsvorm verleden tijd (pvvt): werkte, liep
  • gebiedende wijs (gw): werk, loop
  • voltooid deelwoord (vd): gewerkt, gelopen
  • onvoltooid deelwoord (ovd): werkend, lopend. 

Slide 24 - Slide

Werkwoordstijden
Je ziet vaak aan de zin wanneer een gebeurtenis zich afspeelt. Soms zie je dit door 'tijdwoorden' als morgen, gisteren, straks etc. Je kunt het ook aan de werkwoorden in een zin zien.
Deze werkwoordstijden kun je bepalen door te kijken naar de persoonsvorm. Je kijkt nu dus niet naar tijdwoorden.
Werkwoordstijden zijn belangrijk om teksten te lezen en te schrijven en voor het leren van een vreemde taal.

Slide 25 - Slide

Een overzicht van de werkwoordstijden

Slide 26 - Slide

Woordsoorten: werkwoordstijden

Slide 27 - Slide

Benoem de werkwoordstijd.

Ik volg de les.
A
ott
B
vtt
C
ovt
D
vvt

Slide 28 - Quiz

Benoem de werkwoordstijd.
Had je de afwas al gedaan?
A
ott
B
ovt
C
vtt
D
vvt

Slide 29 - Quiz

Benoem de werkwoordstijd.

Ik had spinazie gegeten.
A
ott
B
vtt
C
ovt
D
vvt

Slide 30 - Quiz

Benoem de werkwoordstijd.
Ik heb gitaar gespeeld.
A
ott
B
ovt
C
vtt
D
vvt

Slide 31 - Quiz

VO2 herhaling Spelling par 11 (PV in samengestelde zin). 

Slide 32 - Slide

Hoeveel persoonsvormen staan er in deze zin?

De gids heeft ons door de grotten geleid.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 33 - Quiz

Hoeveel persoonsvormen staan er in deze zin?

Een narcis is een bolgewas dat gemakkelijk verwildert.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 34 - Quiz

Hoeveel persoonsvormen staan er in deze zin?

Toen hij hoorde dat zijn moeder ziek was, is hij direct naar huis gegaan.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 35 - Quiz

Cursus 7 Spelling: par 13. werkwoordstijden (VO2)


ott
ovt
vtt
vvt
maar nu ook toekomende tijd: ottt, ovtt, vttt, vvtt. 

Slide 36 - Slide

Werkwoordstijden
Het Nederlands kent acht werkwoordstijden
  • onvoltooid tegenwoordige tijd (ott): 
  • onvoltooid verleden tijd (ovt): 
  • voltooid tegenwoordige tijd (vtt): 
  • voltooid verleden tijd (vvt): 
  • onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (ottt): 
  • onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt):
  • voltooid tegenwoordig toekomende tijd (vttt):
  • voltooid verleden toekomende tijd (vvtt);

Slide 37 - Slide

Zo herken je de werkwoordstijden
1. Staat er een vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn in de zin? Ja? Dan is de zin voltooid. Schrijf een v op plaats 1 van de afkorting. Nee? Dan is de zin onvoltooid. Schrijf een o op de plaats van de afkorting.

2. Staat de persoonsvorm in de tegenwoordige of de verleden tijd? Schrijf een t of een v op de tweede plaats van de afkorting.

3. Staat er een vorm van zullen in de zin? Ja? Dan is de zin toekomend. Schrijf een t op de derde plaats van de afkorting. Nee? Dan is dat niet het geval. Laat de derde plaats van de afkorting open.
4. Schrijf op de laatste plaats de t van tijd

Slide 38 - Slide

voorbeeld:

Voorbeeld: hoe vind je de werkwoordstijd?

Zin: Jullie verhuizen naar Schiedam.

1. Er is geen hulpwerkwoord en geen voltooid deelwoord - dus onvoltooid -> letter o
2. In welke tijd staat de persoonsvorm = tegenwoordige tijd -> t
3. Er staat geen vorm van zullen in de zin -> geen letter op de 3e plek
4. Schrijf de letter t van tijd

De werkwoordstijd van deze zin is: ott (onvoltooid tegenwoordige tijd)

Slide 39 - Slide

Pierre kon heel goed koken.
A
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
B
onvoltooid verleden tijd (ovt)
C
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
D
voltooid verleden tijd (vvt)

Slide 40 - Quiz

Verhuizen jullie naar Schiedam?

A
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
B
onvoltooid verleden tijd (ovt)
C
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
D
voltooid verleden tijd (vvt)

Slide 41 - Quiz

Het gebrek aan aan ingrediënten voor appeltaart zou een probleem kunnen worden.
A
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
B
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
C
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
D
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)

Slide 42 - Quiz

Het probleem met de handhaving zal niet kleiner geworden zijn.
A
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
B
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
C
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
D
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)

Slide 43 - Quiz

Slide 44 - Slide

Boekpresentatie:

Toon

Slide 45 - Slide

Lesafsluiting
De komende weken is het paasvakantie! daarna weer een online les. 
Jullie huiswerk is:  

▪ Lees in je leesboek
▪ VO2: bereid je voor op een toets over Cursus 7 Spelling - werkwoordspelling §9 t/m §14 door het nog eens nakijken van de stof en het doen van trainingen (zie online leeromgeving). 

Een fijne vakantie gewenst! 


  
  

Slide 46 - Slide