Les 1

Telefoon
  • De leerlingen hebben hun telefoon thuis, in de kluis of in het Zakkie. 
  • Wanneer de leerling toch de telefoon erbij pakt, volgt een eerste waarschuwing. 
  • De leerling wordt in de gelegenheid gesteld zich te corrigeren en zijn/haar telefoon alsnog in het Zakkie te doen. 
  • Wanneer een leerling geen Zakkie bij zich heeft, dan dient de leerling deze thuis op te halen of een nieuwe te kopen bij de balie (5 euro). 
  • Wanneer een leerling weigert volgt de procedure van “eruit gestuurd”.  
Welkom WBD!
Startklaar?
1 / 10
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 10 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min
Report this lesson

Items in this lesson

Telefoon
  • De leerlingen hebben hun telefoon thuis, in de kluis of in het Zakkie. 
  • Wanneer de leerling toch de telefoon erbij pakt, volgt een eerste waarschuwing. 
  • De leerling wordt in de gelegenheid gesteld zich te corrigeren en zijn/haar telefoon alsnog in het Zakkie te doen. 
  • Wanneer een leerling geen Zakkie bij zich heeft, dan dient de leerling deze thuis op te halen of een nieuwe te kopen bij de balie (5 euro). 
  • Wanneer een leerling weigert volgt de procedure van “eruit gestuurd”.  
Welkom WBD!
Startklaar?

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
  • Je weet wie ik ben.
  • Je schrijft over jezelf.
  • Je raadt wie iemand is.
  • Je maakt een toets.

Slide 2 - Slide

Wie ben ik? 

Slide 3 - Slide

  • Schrijf op het papier.
  • Schrijf je naam NIET! 
timer
7:00

Slide 4 - Slide

  • Praat met je groep.
  • Wie is dit?
  • Schrijf het op het papier. 

Slide 5 - Slide

  • Gooi de dobbelsteen
  • Stel de vraag in je groep.
  1. Wat is jouw achternaam?
  2. Hoe oud ben jij?
  3. Waar kom jij vandaan?
  4. Waar woon jij?
  5. Wanneer ben jij geboren?
  6. Hoe groot ben jij?

Slide 6 - Slide

Een kleine toets
Weet je het nog?

Slide 7 - Slide

Paspoort

Slide 8 - Slide

Paspoort maken
Schrijf jouw naam in het midden van het papier.

Slide 9 - Slide

  • Schrijf alle talen die je gebruikt.
  • Schrijf naast elke taal met wie je deze taal spreekt in het groen. Bijvoorbeeld: vrienden, moeder, familie.
  • Schrijf naast elke taal waar je ze spreekt in het rood. Bijvoorbeeld: op school, bij voetbal.
  • Schrijf naast elke taal met paars hoe vaak je elke taal spreekt: bijna nooit, soms, vaak, altijd. 

Slide 10 - Slide