11.5 Kracht en beweging

11.5 Kracht en beweging
1 / 16
next
Slide 1: Slide
Mens & NatuurMiddelbare schoolvmbo g, t, mavo, havoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

11.5 Kracht en beweging

Slide 1 - Slide

Vorige week
-Gemiddelde snelheid uitrekenen
-km/h en m/s omrekenen
-Snelheid van licht en geluid

Slide 2 - Slide

Met welke formule bereken je gemiddelde snelheid
A
Vgem=TS
B
Vgem=ST
C
S=TV
D
S=VgemT

Slide 3 - Quiz

Auke rijdt een afstand van 20 km. Hij is 15 minuten onderweg. Hoe hard heeft hij gereden?
A
20 km/h
B
40 km/h
C
80 km/h
D
1,33 km/h

Slide 4 - Quiz

Voorkennis bij 11.5
  • Je weet dat de eenheid van kracht Newon is
  • Je weet dat krachten als een pijl getekend kunnen worden
  • Je weet dat krachtenpijlen een richting en een aangrijpingspunt hebben en de lengte van de pijl in verhouding is met de grootte van de kracht

Slide 5 - Slide

Constante snelheid
Een snelheid die niet veranderd noemen we een constante snelheid.
Snelheden kunnen alleen veranderen als er een kracht op uitgeoefend wordt.


Slide 6 - Slide

Krachten en beweging
Bij voorwerpen die met een constante snelheid bewegen, zijn alle krachten in evenwicht.

Als je alle krachten bij elkaar optelt, heb je een Netto kracht van 0 Newton

Slide 7 - Slide

Wanneer de krachten niet gelijk zijn, veranderd de snelheid.


Slide 8 - Slide

Versnellen en vertragen
wanneer de snelheid van een voorwerp steeds groter wordt, heet dat versnellen

Wanneer de snelheid van een voorwerp steeds kleiner wordt, heet dat vertragen

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

F links = 700 + 800 = 1500N
F rechts = 500 + 400 + 500 = 1400N
Nettokracht = 1500 - 1400
Nettokracht = 100N

Het touw versnelt naar links

Slide 11 - Slide

Aerodynamica
Wanneer een voertuig hogere snelheiden haalt, wordt de luchtweerstandskracht steeds groter waardoor je steeds meer afgeremd wordt.

Hierdoort kost het meer en meer kracht om nog harder te gaan.

Je kunt de vorm van een voertuig veranderen om de luchtweerstand kleiner te maken.

Slide 12 - Slide

Peter staat voor het stoplicht te wachten tot hij verder mag rijden.
zijn snelheid is nu...
A
aan het vertragen
B
aan het versnellen
C
constant

Slide 13 - Quiz

Jan is aan het fietsen en produceert een spierkracht van 360 N.
De luchtweerstand is 330 N
Wat gebeurt er met zijn snelheid?
A
Die is constant
B
Er is vertragen
C
Er is versnelling
D
Hij remt

Slide 14 - Quiz

Wat vond je van deze les?
A
👍
B
👎
C
😕

Slide 15 - Quiz

Werktijd
Kennistoets 11.4 Its Learning
Opdrachten werkboek 11.5

Slide 16 - Slide