Capitulo 4 - les 2 Havo/vwo 2

1 / 30
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-4

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min
Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide




                          Hoy es jueves, 29 de octubre

Slide 8 - Slide

Moeten een toets inhalen
Roni: portofolio capítulo 3
Boas: portofolio capítulo 3

Amin: Toets capítulo 3
Senna: Toets capítulo 3

Alma: Toets capítulo 3
Thomas: Toets capítulo 3
Sami: Toets capítulo 3

Chloé: Toets capítulo 3
Yaminah: Toets capítulo 3
Ilse: Toets capítulo 3


Slide 9 - Slide

La regla:
Respect:

Als iemand praat is de rest stil
Ik steek me vinger op als ik iets wil zeggen
We maken elkaar niet belachelijk

Slide 10 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
  • Deberes (WB): woordjes
  • Woordjes van bron C, WB blz. 31
  • Herhaling: persoonlijke vnw
  • Vamos a aprender el verbo ir
  • practicar

Slide 11 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
  • Deberes (WB): blz. 10, opdracht 9- bron C
  • Woordjes van bron C, WB blz. 31
  • Herhaling: persoonlijke vnw
  • Vamos a aprender el verbo ir
  • practicar

Slide 12 - Slide

¿Cuál es la meta de hoy? 

  • Ik heb een tekst begrepen en vragen over de tekst beantwoord
  • Ik weet minimaal 3 schoolgerelateerde woorden 
  • Ik kan vertellen waar iemand naartoe gaat

Slide 13 - Slide

Los deberes

Maak libro de ejercicio (WB): blz. 10, opdracht 9. Hiervoor heb je je tekstboek nodig op blz. 36 bron C

Slide 14 - Slide

ir a la biblioteca

ir al instituto

Slide 15 - Slide

¿Qué vamos a hacer?
Wat? Libro de texto: Bron C op blz. 12 lezen
Libro de ejercicio: vragen van bron C beantwoorden op blz. 12, opdr. 6
Hoe? in duo's
Hulp: Steek je vinger op als je een vraag hebt
Tijd: 10 minutos
Uitkomst: Ik heb mijn leesvaardigheid geoefend
Klaar? Maak je puzzle af, opdr. 7


Slide 16 - Slide

Korte pauze
Werkwoorden vervoegen
yo= yo
tú = tú
él = naam van man / zelfst.nw enkelvoud
ella = naam van vrouw / zelfst.nw enkelvoud
nosotros = naam/namen y yo
vosotros = naam/namen y tú
ellos = twee namen van mannen / zelfst.nw meervoud
ellas = twee namen van vrouwen / zelfst.nw meervoud

Slide 17 - Slide

Het werkwoord ir

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Opdrachten 
Zinnetje vertalen naar het Spaans
1. Mijn moeder gaat naar de supermarkt.
2. Jullie gaan naar de middelbare school.
3. Mijn vader en moeder gaan naar de bioscoop.
4. Ik ga naar mijn huis.
5. Jij gaat naar de bibliotheek.
6. De docent gaat naar het ziekenhuis.

Slide 20 - Slide

Vervoeg het werkwoord ir
1. Diego (ir) ______________ a la escuela.
2. Mis abuelos (ir) ______________ a Dubai.
3. Juan y tú (ir) ______________ a bailar.
4. Diego y Dora (ir) ______________ a explorar.
5. Ana y yo (ir) ______________ al cine.
6. Marcos y Luis (ir) ______________ al instituto.
7. Tú (ir) ______________ al supermercado.
8. Yo (ir) ______________ a trabajar.

Slide 21 - Slide

Maken 
Wat? Libro de ejercicio opdr. 13C en 14 maken blz. 12 t/m 14
Hoe? zelfstandig
Hulp: libro de texto blz. 37, bron D
Tijd: 15 minuten
Uitkomst: Ik kan het werkwoord ir vervoegen
Klaar? Maak opdr. 16, blz. 15 WB

Slide 22 - Slide

Gesprekjes voeren:


TB blz. 37, bron E



timer
3:00

Slide 23 - Slide

Los deberes:

TB blz. 37, bron D uit je hoofd leren en 1 keer schrijven: het werkwoord ir 

TB blz. 37, bron E neem door en 1 keer schrijven: fraces clave


Slide 24 - Slide

¿Cuál era la meta de hoy? 

  • Ik heb een tekst begrepen en vragen over de tekst beantwoord
  • Ik weet minimaal 3 schoolgerelateerde woorden 
  • Ik kan vertellen waar iemand naartoe gaat

Slide 25 - Slide

La regla:

Slide 26 - Slide

Kies het juiste onbepaald lidwoord.
2. Compré __________ manzanas en el supermercado.
A
un
B
una
C
unos
D
unas

Slide 27 - Quiz

Kies het juiste onbepaald lidwoord.
3. Necesito __________ bolígrafo para tomar apuntes.
A
un
B
una
C
unos
D
unas

Slide 28 - Quiz

Kies het juiste onbepaald lidwoord.
4. Quiero comprar __________ zapatos nuevos.
A
un
B
una
C
unos
D
unas

Slide 29 - Quiz

Quizlet
https://ap.lc/wzBbJ

Slide 30 - Slide