VWO - Examentraining - 2526

Examentraining Duits
6 VWO


maandag 18 mei 2026: 9:00 - 11:30 uur 
1 / 33
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 33 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Examentraining Duits
6 VWO


maandag 18 mei 2026: 9:00 - 11:30 uur 

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Programma
  • Tips en tricks examen
  • Hoe pak je het examen Duits aan?
  • Woordenboekgebruik
  • Oefenen met soorten examenvragen
  • Examentekst algemeen oefenen

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Tip voor tijdens het examen

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Tips tijdens het examen
  • Zorg voor time-management!
  • Het centraal examen bestaat uit tien tot twaalf korte, middellange en     lange teksten. Zoals:
  • Krantenartikelen, ingezonden brieven, interviews, boekbesprekingen. 
  • 40 - 45 vragen
  • Het examen leesvaardigheid duurt 2,5 uur. 2025: 42 vragen, dus gemiddeld ongeveer 3 / 3,5 minuut per vraag
  • Eerste en laatste tekst vaak makkelijker, dus bij tijdnood: laatste tekst!
  • Maak tekst 1

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Tips tijdens het examen
Vul bij meerkeuzevragen ALTIJD wat in.

Weet je het antwoord niet en kom je in tijdnood:
gokken dan maar!

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Gouden tip
  • Oefenen, oefenen, oefenen...niet alleen met examenteksten, maar ook met het maken van leeskilometers in het algemeen: bv Duitse krantenartikelen (der Spiegel), Duitse boeken
  • Let extra goed op ontkenningen en nuances:
Woorden als „nicht“, „kein“, „kaum“, „nur“ kunnen de hele betekenis omdraaien.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Hoe pak je het examen aan?

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Algemene werkwijze
  • Vraag in het Nederlands? -->  Antwoord ook!!
  • Begin met de tekst voorbereiden: titel vertalen, plaatje bekijken, inleiding lezen. Wat weet je over de tekst?  
  • Eerste laatste zin van de alinea lezen + in enkele woorden opschrijven
  • Opvallende zaken markeren en meteen lezen: ""    :     -...-
  • Scannend de signaalwoorden markeren
  • Citeren? IN HET DUITS!!!

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Soorten examenvragen 
1. Gesloten vragen:
   - Meerkeuzevragen
   - Meerkeuze-invulvragen

2. Voorgestructureerde vragen
   - Combinatie- / matchingsvragen
   - Beweringenvragen
   - Ordeningsvragen

3. Citeervragen

4. Open vragen 
De meeste open vragen zijn in het Nederlands, de meerkeuzevragen in het Duits gesteld
De gesloten vragen die in het examen voorkomen, maken samen ongeveer 60 procent van de scorepunten uit en de andere vraagvormen ongeveer 40 procent. 

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

   Vraag 4 tekst 2
Vraag 9 tekst 2:
Afleider?

Slide 10 - Slide

Snelle methode bij vraag 4 van tekst 2!
Gouden tip
Leer de signaalwoorden en andere woordenlijsten uit de examenbundel (blz. 105 tm 111) !!!

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Woordenboekgebruik - Stap 1
Gebruik je woordenboek niet! Leid de betekenis af.
- woordsoort
- samengesteld woord
- voor- of achtervoegsels (ent- of -ig)
- gebruik de context

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Woordenboekgebruik - Stap 2a
Bij twijfel, kijk dan in het woordenboek.
Bepaal eerst de woordenboekvorm:
- zelfstandig naamwoord: kijk bij enkelvoud (Baum en niet Bäume)
- werkwoord: kijk bij het hele werkwoord (helfen en niet geholfen)
- bijvoeglijk naamwoord: laat de uitgang weg (gut en niet guter)


Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Woordenboekgebruik - Stap 2b
Bij meerdere betekenissen gebruik je de context om de juiste betekenis te bepalen.

Er wollte Netflix gucken. Er musste allerdings zuerst die Hausaufgaben machen.

Allerdings: echter/maar - zeker/inderdaad

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Woordenboekgebruik - Stap 3
Wat als je de betekenis niet kunt vinden?
- Controleer of je wel bij het juiste trefwoord kijkt.
- Zoek bij een samenstelling de afzonderlijke onderdelen op.
- Kijk of het deel uitmaakt van een uitdrukking. Zoek het belangrijkste woord uit de uitdrukking vervolgens op.


Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Woordenboekgebruik 
Bij alle stappen geldt:

Controleer de betekenis die je hebt gevonden door verder te lezen: past de betekenis bij de inhoud van de tekst?

Schrijf de vertaling altijd op. 


Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Beweringsvragen 1: Waar let je op?
  • Lees de bewering heel precies
  • Let op sleutelwoorden zoals:                                                            alle, nie, immer, meistens, manchmal, viel, usw.
  • Eén woord kan de hele betekenis veranderen
  • Vertaal de bewering kort in je hoofd naar eenvoudig     Nederlands/Duits
  • Maak vraag 20.1 tekst 5

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Beweringsvragen 2: Zo zoek je het woord in de tekst


  • Zoek gericht naar sleutelwoorden of synoniemen
  • Tekst en bewering gebruiken vaak andere woorden (parafrasen)
  • Lees niet de hele tekst opnieuw, maar scan gericht
  • Vergelijk de informatie heel precies met de bewering

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Beweringsvragen 3: Antwoorden kiezen

  • Richtig: klopt precies met de tekst
  • Falsch: tekst zegt iets anders of het tegenovergestelde
  • Steht nicht im Text: informatie komt niet voor in de tekst
  • Gebruik alleen de tekst, niet je eigen kennis
  • Check altijd kleine details (wie, wat, hoeveel, wanneer)
  • Maak vraag 20.2 - 20.3 - 20.4

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Signaalwoorden 1
  • Signaalwoorden geven de structuur van de tekst aan
  • Ze helpen je begrijpen wat de relatie is tussen zinnen
  • Belangrijke voorbeelden:
tegenstelling: aber, jedoch, trotzdem, dagegen
oorzaak-gevolg: deshalb, deswegen, weil, darum
opsomming: zuerst, dann, außerdem, schließlich, zweitens
voorbeeld: zum Beispiel, wie, etwa. Maak vraag 10 + 16 tekst 3

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Signaalwoorden 2
  • Ze laten zien wat belangrijk is in de tekst
  • Helpen bij het vinden van het juiste antwoord
  • Vaak zit het juiste antwoord in de zin NA het signaalwoord
  • Bij beweringsvragen: check of het verband klopt (oorzaak, tegenstelling etc.)
  • Tip: markeer signaalwoorden tijdens het lezen

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Leestekens en structuur in de tekst
  • Komma’s helpen zinnen te splitsen → beter begrijpen van informatie
  • Punt = nieuw idee of belangrijk nieuw feit
  • Dubbele punten (:) = uitleg of opsomming volgt
  • Aanhalingstekens “...” = letterlijk citaat of belangrijk woord
  • Lange zinnen in Duits: goed letten op waar werkwoorden staan. Tip: breek lange zinnen in stukjes om ze beter te begrijpen

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Veelgemaakte fouten (valkuilen)
  • Te snel kiezen zonder de hele zin te lezen
  • Eén woord over het hoofd zien (zoals nicht, immer, nur)
  • Eigen kennis gebruiken in plaats van de tekst
  • Antwoorden kiezen die “logisch lijken” maar niet in de tekst staan

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Moeilijke woorden en onbekende taal
  • Niet elk woord hoef je te kennen
  • Probeer de betekenis uit de context te halen
  • Let op internationale woorden (Information, Problem, Organisation)
  • Herken woorddelen (bijv. un- = niet, -los = zonder)

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn zins- en alineaverbanden?
Verbanden laten zien hoe zinnen/alinea’s samenhangen
Ze helpen je om:
  • de structuur van de tekst te begrijpen
  • sneller het juiste antwoord te vinden
  • Herkenbaar aan signaalwoorden

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn zins- en alineaverbanden?
  • Einräumung (toegeving): iets wordt toegegeven, daarna volgt vaak een tegenstelling
  • Structuur: toegegeven/begrijpelijk …, maar…
  • Signaalwoorden:
zwar … aber - obwohl - auch wenn - trotzdem, dennoch

 Let op: de echte mening staat vaak ná de tegenstelling

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn zins- en alineaverbanden?
  • Erläuterung (uitleg): iets wordt verduidelijkt of uitgelegd
  • Maakt een idee begrijpelijker
  • Signaalwoorden: das heißt - nämlich - also - mit anderen Worten

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn zins- en alineaverbanden?
  • Erweiterung (uitbreiding): er wordt extra informatie toegevoegd
  • Het onderwerp wordt verder uitgebreid
  • Signaalwoorden: außerdem - auch - zusätzlich - darüber hinaus

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn zins- en alineaverbanden?
  • Konkretisierung (voorbeeld/concretisering): iets wordt   concreet gemaakt met een voorbeeld
  • Van algemeen → specifiek
  • Signaalwoorden: zum Beispiel - beispielsweise -     insbesondere - vor allem
  • Maak vraag 32 tekst 7

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Konjunktiv in leesteksten 1
  • Konjunktiv laat zien dat iets niet zeker of niet feitelijk is, of dat het iemands woorden/mening is. 
  • Belangrijke vormen: Sei(en) = zou(den) zijn
  • hätte(n) (Konjunktiv II) → iets is niet echt / hypothetisch
  • Das hätte tatsächlich geschehen können 
  • könnte(n) (Konjunktiv II) → mogelijkheid / onzekerheid
  • Das könnte stimmen

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Konjunktiv in leesteksten 2
Waarom belangrijk bij lezen:
  • Vaak geen feit maar mening, bericht of onzekerheid
  • Kan het juiste antwoord bij beweringsvragen beïnvloeden
  • Let op: het maakt een zin minder tot een “hard feit”

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Nu zelf aan de slag
Ga verder met het examen van 2025 tijdvak I. Maak dit af voor donderdag!!!

Markeer in de kantlijn op welke vraag dit gedeelte van de tekst betrekking heeft. Zo kun je het later makkelijk vinden.

Markeer signaalwoorden!

Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Slide 33 - Slide

This item has no instructions