Nederlands in actie

1 / 31
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

🚶‍♀️🗣️ Loop & Vind

  1. Pak een papiertje.

  2. Loop door het lokaal.

  3. Zoek klasgenoten.

  4. Stel de vraag.

  5. Luister goed.

  6. Heb je iemand gevonden die “ja” zegt?

    → Roep: “Bingo! Gevonden!

    → Schrijf zijn/haar naam op je papiertje.

    - Kun je niemand vinden?

    → Wissel van vraag. Kies een nieuwe vraag en ga verder zoeken.


👉 Deel daarna met ons:


Wie heb je gevonden? Wat heb je ontdekt?






Veel sneeuw

  • In Nederland viel op veel plaatsen 5 tot 10 centimeter sneeuw.


  • In België, vooral in de Ardennen, lag zelfs 40 centimeter sneeuw.


  • In Engeland en Schotland lag ook veel sneeuw, vooral in de bergen


Door de sneeuw waren wegen glad.

Auto’s moesten langzaam rijden. Soms waren wegen dicht.

Lezen


Viel:

1️⃣ Weer (regen / sneeuw)

👉 Er viel sneeuw. = sneeuw kwam uit de lucht.

2️⃣ Persoon

👉 De man viel op de grond. = de man ging naar beneden en lag op de grond.

  • De man Rudi viel op de gladde weg.

val / valt / vallen

viel / vielen

is gevallen / heeft gevallen

Woorden en betekenis

Woorden en betekenis

  • Plaatsen → steden en dorpen

  • VooralVooral = het meest. Je zegt wat belangrijker is dan de rest Hij sport vooral buiten.

    → Hij sport meestal buiten (meer dan binnen).


  • Bergen → hoge stukken land

  • Glad → je kunt makkelijk uitglijden



Er was ook een storm. De storm heet Goretti.
De storm bracht harde wind en sneeuw


In Engeland waren windstoten tot 150 km per uur.


In Nederland en België was de wind minder sterk, maar nog steeds gevaarlijk.

Goretti.

Woorden en betekenis

Storm

  • Een storm is wanneer er heel harde wind waait. Het kan ook regen, sneeuw of hagel geven. Tijdens een storm is het vaak gevaarlijk buiten.

Er is een storm vandaag. Blijf binnen.


Hard wind

  • Hard wind betekent dat de wind sterk waait.

De wind is heel hard. Het waait 90 km per uur.


Windstoten

  • Windstoten zijn plotselinge, korte en krachtige wind

Tijdens de storm waren er veel windstoten.




- Sommige autorijders zaten vast in de sneeuw.


-Andere bestuurders konden hun auto of fiets

niet goed sturen en gleden weg op de gladde weg.





Problemen in het verkeer

Woorden en betekenis

  • Vastzitten → je kunt niet verder


Mijn auto vast zit in de modder.

Ik kom vast te zitten met de auto




- Veel treinen reden niet

of hadden vertraging.



- Op Schiphol zijn veel vluchten

geannuleerd.




Problemen in het verkeer

Woorden en betekenis


  • Vertraging → later dan gepland

De trein heeft vertraging dus ik kom een beetje laat.


Annuleren = het afzeggen van een eerder gemaakte afspraak.

Ik wil mijn afspraak annuleren.



Het weerinstituut gaf code rood of code oranje

voor sneeuw en gladheid.


Dat betekent: pas op, het weer is gevaarlijk.


Koud weer

Na de storm werd het nog kouder.
In sommige gebieden werd het -10 graden in de nacht.

⚠️ Waarschuwingen

Woorden en betekenis

  • Waarschuwing → bericht: pas op

  • Gevaarlijk → niet veilig

  • Gebieden → plekken

  • Na de storm → nadat de storm voorbij was

Opdracht- Waar / Niet waar

  1. In Nederland viel op sommige plaatsen 20 centimeter sneeuw.

  2. In de Ardennen lag ongeveer 40 centimeter sneeuw.

  3. Wegen waren glad door de sneeuw.

  4. Alle treinen reden op tijd.

  5. Op Schiphol werden veel vluchten vertraigingen.

  6. Het weerinstituut gaf code geel.

Opdracht- Waar / Niet waar

  1. In Nederland viel op sommige plaatsen 20 centimeter sneeuw.
    Niet waar – Er viel 5 tot 10 centimeter.

  2. In de Ardennen lag ongeveer 40 centimeter sneeuw.

  3. Wegen waren glad door de sneeuw.

  4. Alle treinen reden op tijd.

  5. Op Schiphol werden veel vluchten vertraigingen.

  6. Het weerinstituut gaf code geel.

Opdracht- Waar / Niet waar

  1. In Nederland viel op sommige plaatsen 20 centimeter sneeuw.
    Niet waar – Er viel 5 tot 10 centimeter.

  2. In de Ardennen lag ongeveer 40 centimeter sneeuw.
    Waar

  3. Wegen waren glad door de sneeuw.

  4. Alle treinen reden op tijd.

  5. Op Schiphol werden veel vluchten vertraigingen.

  6. Het weerinstituut gaf code geel.

Opdracht- Waar / Niet waar

  1. In Nederland viel op sommige plaatsen 20 centimeter sneeuw.
    Niet waar – Er viel 5 tot 10 centimeter.

  2. In de Ardennen lag ongeveer 40 centimeter sneeuw.
    Waar

  3. Wegen waren glad door de sneeuw.
    Waar

  4. Alle treinen reden op tijd.

  5. Op Schiphol werden veel vluchten vertraigingen.

  6. Het weerinstituut gaf code geel.

Opdracht- Waar / Niet waar

  1. In Nederland viel op sommige plaatsen 20 centimeter sneeuw.
    Niet waar – Er viel 5 tot 10 centimeter.

  2. In de Ardennen lag ongeveer 40 centimeter sneeuw.
    Waar

  3. Wegen waren glad door de sneeuw.
    Waar

  4. Alle treinen reden op tijd.
    Niet waar – Veel treinen reden niet of hadden vertraging.

  5. Op Schiphol werden veel vluchten vertraigingen.

  6. Het weerinstituut gaf code geel.

Opdracht- Waar / Niet waar

  1. In Nederland viel op sommige plaatsen 20 centimeter sneeuw.
    Niet waar – Er viel 5 tot 10 centimeter.

  2. In de Ardennen lag ongeveer 40 centimeter sneeuw.
    Waar

  3. Wegen waren glad door de sneeuw.
    Waar

  4. Alle treinen reden op tijd.
    Niet waar – Veel treinen reden niet of hadden vertraging.

  5. Op Schiphol werden veel vluchten vertraigingen.
    Niet waar – Ze werden geannuleerd, niet vertraagd.

  6. Het weerinstituut gaf code geel.

Opdracht- Waar / Niet waar

  1. In Nederland viel op sommige plaatsen 20 centimeter sneeuw.
    Niet waar – Er viel 5 tot 10 centimeter.

  2. In de Ardennen lag ongeveer 40 centimeter sneeuw.
    Waar

  3. Wegen waren glad door de sneeuw.
    Waar

  4. Alle treinen reden op tijd.
    Niet waar – Veel treinen reden niet of hadden vertraging.

  5. Op Schiphol werden veel vluchten vertraigingen.
    Niet waar – Ze werden geannuleerd, niet vertraagd.

  6. Het weerinstituut gaf code geel.
    Niet waar – Er was code rood of code oranje.

Waar lag de meeste sneeuw in België?

A

In Brussel

B

Aan de kust

C

In de Ardennen

D

In Antwerpen

Waarom waren wegen gevaarlijk?

A

Door de sneeuw en gladheid

B

Door de koud weer

C

Door de regen

D

Door de waarschuwing ⚠

Je wilt zeggen dat je auto in de modder staat en niet verder kan. Welke zin is correct?

A

Mijn auto is kapot in de modder.

B

Mijn auto ligt in de modder.

C

Ik kom vast te zitten met de auto

D

Mijn auto zit vast in de modder.

De woord "windstoten" betekent

A

Sterk wind

B

De wind waait

C

Plotselinge, korte en krachtige wind

D

Je mag niet naar buiten

Taalchallenge

🟡 Stap 1 — Zoek 3 woorden in het lokaal.

Voorbeelden: deur, stoel, raam, tafel



🟢 Stap 2 — Maak een zin met elk woord

Voorbeelden: Ik zit op de stoel.- raam).



🔵 Stap 3 — Schrijf het op het bord

Taalchallenge

🟡 Stap 1 — Zoek 3 woorden in het lokaal.

Voorbeelden: deur, stoel, raam, tafel



🟢 Stap 2 — Maak een zin met elk woord

Voorbeelden: Ik zit op de stoel.- raam).



🔵 Stap 3 — Schrijf het op het bord

Spreektaak – Rollenspel (tweetalig)


Situatie:
Je bent ziek. Je belt de huisarts.
Je legt je klachten uit en je vraagt om een afspraak.


Instructie

  • Werk in tweetallen.

  • Eén persoon is de assistente.

  • De andere persoon is de beller (patiënt).

  • De beller noemt minstens drie klachten.

  • De assistente stelt één of twee vragen en geeft informatie over een afspraak.

  • Na het gesprek wisselen jullie van rol.

Voorbeeld

Beller (patiënt):
Goedemorgen. Ik voel me niet goed.
Ik heb koorts, ik hoest veel en ik heb hoofdpijn.
Kan ik een afspraak maken?

Assistente:
Dat is vervelend om te horen.
Hoe lang heeft u deze klachten?

Beller:
Sinds twee dagen.

Assistente:
Oké. U kunt vanmiddag om 15.00 uur komen. Past dat?

Beller:
Ja, dat is goed. Dank u wel.

Assistente:
Graag gedaan. Tot vanmiddag.



Spreektaak – Rollenspel (tweetalig)


B: Hallo.

A: Hallo. Kan ik je helpen?

B: Ja. Ik zoek de melk.

A: De melk staat daar, bij de koeling.

B: Dank je wel.

A: Graag gedaan.




(Bij de kassa)


A: Dat is €2,50.

B: Hoeveel kost het?

A: Het kost €2,50.

A: Pin of contant?

B: Pin, alstublieft.

A: Dank je wel. Fijne dag!

B: Dank je. Tot ziens!