2.4 Wordt alles duurder?

2.4 Wordt alles duurder?
Welkom!
Leerdoelen
Wat weten jullie nog?
2.4 Wordt alles duurder?
Verder volgens planning
15 november SO H2
25 november proefwerk h2
1 / 19
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

2.4 Wordt alles duurder?
Welkom!
Leerdoelen
Wat weten jullie nog?
2.4 Wordt alles duurder?
Verder volgens planning
15 november SO H2
25 november proefwerk h2

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
Je leert in deze paragraaf:
wat koopkracht is en waardoor je koopkracht verandert
wat inflatie is en wat de gevolgen ervan zijn
wat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doet

Slide 2 - Slide

wat is de inkomensvorm van zakgeld?
A
arbeid
B
bezit
C
overdracht

Slide 3 - Quiz

Tot welke inkomensvorm behoort rente?
A
inkomen uit arbeid
B
inkomen uit overdrachten
C
loon in natura
D
inkomen uit bezit

Slide 4 - Quiz

Er zijn 3 verschillende inkomensvormen. Welke zijn juist? inkomen uit....
A
arbeid, bezit, toeslag
B
bezit, overdracht, rente
C
bezit, aandelen, arbeid
D
arbeid, bezit, overdracht

Slide 5 - Quiz

Wat is geen inkomensvorm?
A
Bezit
B
Overdracht
C
Arbeid
D
Lenen

Slide 6 - Quiz

Bij welke inkomensvorm is er geen sprake van een tegenprestatie?
A
inkomen uit bezit
B
inkomen uit arbeid
C
inkomen uit zorg
D
overdrachtsinkomen

Slide 7 - Quiz

Een ander woord voor begroting?
A
budgetteren
B
reservering
C
kasboek
D
budgetplan

Slide 8 - Quiz

Geld opzijleggen voor bepaalde uitgaven.
timer
0:30
A
budgetteren
B
restwaarde
C
reserveren

Slide 9 - Quiz

Minder geld uitgeven
A
Lenen
B
Aflossen
C
Budgetteren
D
Bezuinigen

Slide 10 - Quiz

Wat is een budget?
A
Bedrag dat je spaart
B
Het geld waarover je kunt beschikken
C
Overzicht van al je inkomsten

Slide 11 - Quiz

De afkorting Nibud betekent: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 12 - Quiz

Bij welke organisatie kan je terecht voor advies over omgaan met geld?
A
De NS
B
Het UWV
C
De overheidsintelling.
D
Het NIBUD

Slide 13 - Quiz

2.4 Wordt alles duurder?
Welvaart is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien. Met meer inkomen kun je meer producten kopen: je welvaart neemt toe.

Maar als prijzen stijgen en je inkomen blijft hetzelfde, kun je met dat geldbedrag minder kopen: je welvaart neemt af.

Slide 14 - Slide

Koopkracht
Je koopkracht is de hoeveelheid producten die je met je inkomen kunt kopen.
Je koopkracht is dus afhankelijk van:
- de hoogte van de prijzen
- de hoogte van je inkomen

Slide 15 - Slide

Inflatie
Inflatie is een stijging van de prijzen.

Als er inflatie is en je inkomen blijft hetzelfde, daalt je koopkracht.
Je kunt ook zeggen: door inflatie wordt het geld
 minder waard. Je kunt voor hetzelfde geld
 minder kopen.

Slide 16 - Slide

Het inkomen van Pieter stijgt met 3,5%. De inflatie is 2,5%
Met hoeveel % stijgt of daalt de koopkracht van Pieter

Slide 17 - Open question

Stijging of daling in procenten
Als je stijgingen en dalingen in procenten uitdrukt,
kun je veranderingen beter met elkaar vergelijken.

Slide 18 - Slide

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt
allerlei informatie bij over belangrijke zaken in
Nederland.
Zo verzamelt het CBS informatie over inflatie,
inkomens van huishoudens, maar ook over
bijvoorbeeld het aantal inwoners van ons land en
populaire bijbaantjes onder jongeren.


Slide 19 - Slide