Les 4 (tekststructuur)

1 / 15
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Wat weet je nog over tekstdoelen?

Theorie: tekststructuur


Zelfstandig leren


Check
Je kent het belang van tekststructuur;
Je kunt tekstdelen onderscheiden.

Slide 2 - Slide

     informeren                                                            overtuigen                       

                                                                                                                               

  
Het is de bedoeling dat als lezer iets gaat doen.
Nieuwsbericht in de krant of een tekst in een leerboek.
Dit zie je soms bij een recensie van een boek, maar het kan ook overtuigend zijn!
beschouwen
activeren
Feitelijke informatie en objectief
Voor- en tegenargumenten bij een stelling.
Je herkent vaak een duidelijk standpunt van de schrijver.
column in de krant
reclame

Slide 3 - Drag question

Verbinding
  • Macro: (groot) - inleiding, kern, slot
  • Micro: (klein) - inzoomen op alinea's  en tekstdelen
  • Binnen alinea's kun je aanwijzingen vinden over de samenhang binnen de tekst
  • Functiewoorden: letterlijke aankondiging - aanleiding, voorbeeld, argument, gevolg, conclusie.
  • Signaalwoorden: geeft het karakter van het verband aan. Helpt je om te begrijpen waar de tekst over gaat en wat er volgt.

Slide 4 - Slide

  1. Nog belangrijker voor het terugdringen van het aantal besmettingen is het handhaven van de maatregelen.
  2. Voordat het zover is, moeten we waarschijnlijk vrede hebben met de huidige situatie.
  3. Het is echter de vraag of iedereen dat geduld kan opbrengen.
  4. Kortom, we hebben nog een lange weg te gaan.
Verbindingswoorden

1) Wat is het signaalwoord?
2) Welke tekstverband geeft het aan?
3) Wat is een logische plek in een tekst? (inleiding, kern, slot)
4) Wat weet je over het vermoedelijke tekstgedeelte ervoor?
5) vergelijk je antwoorden met je buurman/buurvrouw
timer
5:00

Slide 5 - Slide

Functies
Scan de QR-code voor een filmpje (5:24)
en/of lees de theorie uit Talent (in elo of op papier)

1. Welke functies zijn er?
2. Wat is de betekenis van die functies?
3. Bedenk een (kort) voorbeeld per functie





timer
15:00
Let op:
1. De functies op het blad en in het filmpje lopen niet gelijk;
2. Worden functies niet genoemd? Zoek het dan op via Talent en/of internet.

Klaar? Ga verder met de modulewijzer

Slide 6 - Slide

In welk deel van de tekst verwacht je onderstaande zinnen?
Inleiding
Kern
Slot
En daarom raad ik iedereen aan om meer televisie te kijken.
Televisie biedt bovendien de broodnodige ontspanning.
Het moge duidelijk zijn: televisiekijken is de beste invulling van je vrije tijd.
Zullen onze kleinkinderen nog weten wat een televisie is?
Voor velen zal het een bekend gevoel zijn: zo veel kanalen en toch zo weinig leuke programma's op tv.
Toch is het misschien te kort door de bocht om te zeggen dat er geen goede televisie meer wordt gemaakt.

Slide 7 - Drag question

Ken je de signaalwoorden nog?



Theorie: functies


Samenwerkend leren: functies en tekstverbanden herkennen
Zelfstandig leren


Check
Je kent de signaalwoorden en tekstverbanden om voor samenhang te zorgen; (herhaling)

Je kent functies van tekstgedeelten;

Je kunt tekstverbanden en functies benoemen.

Slide 8 - Slide

Sleep de signaalwoorden naar de bijbehorende tekstverbanden.
Let op: leer de tekstverbanden goed 
opsommend
tegenstellend
tijdsvolgorde (temporeel)
oorzaak-gevolg
toelichtend / voorbeeld
redengevend
voorwaardelijk
een andere
hoewel
voordat
hierdoor
bijvoorbeeld
tenzij
namelijk
want
als
toch
daarnaast
zoals bij
zodat
totdat
echter
indien

Slide 9 - Drag question

Wat is de functie van alinea X ten opzichte van alinea Y?

Wat is een functie?
Waarom is het belangrijk om een functie te kunnen benoemen?
Waar let je op om de functie te kunnen herkennen?

Slide 10 - Slide

Functies
Als je weet wat de functie van een tekstgedeelte is, begrijp je de tekst beter.
Ieder tekstgedeelte heeft een eigen functie in de tekst.
Signaalwoorden helpen je om de functie te bepalen.
Vaak hebben teksten een vaste structuur.

Slide 11 - Slide

Uit het onderzoeksrapport van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat scholen in het basis- en voortgezet onderwijs weinig aandacht besteden aan het Fries.
A
Aanleiding
B
Argument
C
Probleemstelling
D
Voorbeeld

Slide 12 - Quiz

De scholen zeggen dat leerlingen geen behoefte hebben om Fries te krijgen, maar uit het onderzoek blijkt dat 33% van de leerlingen Fries als moedertaal heeft en graag meer Fries onderwijs wil.
A
aanleiding
B
argument
C
probleemstelling
D
weerlegging

Slide 13 - Quiz

Wat is de juiste omschrijving bij het functiewoord?
stelling
argument
weerlegging
samenvatting
conclusie
aanleiding
definitie
voorbeeld
constatering
uitwerking
reden om nu een tekst te schrijven over het onderwerp
omschrijving van wat er met een bepaald verschijnsel wordt bedoeld
beschrijving van één concreet geval
er wordt een verschijnsel/ontwikkeling vastgesteld
er wordt extra informatie gegeven over het onderwerp
Iemand doet een bewering over het onderwerp (niet feitelijk)
reden waarom iemand iets vindt
argument van ander wordt ontkracht
beknopte navertelling
slotgedachte obv voorgaande

Slide 14 - Drag question

Zelfstandig leren


 
Houd je aan de studiewijzer (zie SOM)
Maak de opdrachten uit de modulewijzer
Maak de opdrachten voor deze week thuis en/of op school af.

In stilte aan de slag!
timer
15:00

Slide 15 - Slide