2k Unit 4 vocab 3

I want to join in Saturday's demonstration.
What does 'to join' mean in Dutch?
A
ik druk altijd op A
B
meedoen
C
niet meedoen
D
plezier hebben
1 / 17
next
Slide 1: Quiz
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

I want to join in Saturday's demonstration.
What does 'to join' mean in Dutch?
A
ik druk altijd op A
B
meedoen
C
niet meedoen
D
plezier hebben

Slide 1 - Quiz

I am busy, so I can't entertain you
What does 'entertain' mean in Dutch?
A
maken
B
enteren
C
vermaken

Slide 2 - Quiz

True or false. Betekent 'leisure' in het Nederlands 'drukke tijd'?
A
true
B
false

Slide 3 - Quiz

Find the odd one out. Welke hoort er niet bij?
A
leisure
B
to have a good time
C
course
D
to entertain

Slide 4 - Quiz

Fill in the correct word.
We sell coffee and other hot ........ .
A
beverages
B
bears
C
berages

Slide 5 - Quiz

I'm grounded, because I got home late.
What does 'to be grounded' mean in Dutch?
A
ik druk altijd op A
B
huisarrest hebben
C
op de grond staan
D
onder de grond zijn

Slide 6 - Quiz

in de rij staan
toneelstuk
overslaan
bedorven
to queue
to skip
off
play

Slide 7 - Drag question

Hoe vertaal je 'activiteit' in het Engels?
A
active
B
activity
C
lazy

Slide 8 - Quiz

Welk woord is geen vraagwoord in het Engels?
A
How
B
When
C
He
D
Why

Slide 9 - Quiz

Dit is een leuke cursus.
Hoe vertaal je 'cursus' in het Engels?
A
sister
B
of course
C
course

Slide 10 - Quiz

Hoe vertaal je 'onbeperkt' in het Engels?
A
unlimited
B
limited
C
light

Slide 11 - Quiz

horse riding
rollerblades
exhibition
entry
paardrijden
tentoonstelling
toegang
rolschaatsen

Slide 12 - Drag question

True or false? Betekent 'property' in het Nederlands 'landgoed'?
A
true
B
false

Slide 13 - Quiz

Vul het juiste woord in.
My brother takes care of the ....... .
A
cattle
B
catle
C
poet

Slide 14 - Quiz

Vul het juiste woord in.
Be ....... when you first meet someone.
A
light
B
police
C
polite
D
poet

Slide 15 - Quiz

Maak een zin en gebruik de volgende woorden:
farm - countryside

Slide 16 - Open question

Slide 17 - Slide