Les 15 taal PABO, 11 februari 2026

Les 15 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsHBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 15 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie

Slide 1 - Slide

Inchecken; Hoe voel je je nu?

Slide 2 - Slide

Hoe voel je je?

Blij, enthousiast of..
Normaal, rustig of...
Moe, nerveus, verdrietig of...

Slide 3 - Open question

De vorige les.
Taal 2.
Lesdoel(en) | Lesson objective(s):
  • Ik leerde wat taalverwerving is.
  • Ik leerde wat tweedetaalverwerving inhoudt.
  • Ik leerde het systeem van taal.




Slide 4 - Slide

Wat houdt volgens ´behaviorisme´ het verwerven van taal in?
A. communicatie met leeftijdsgenoten
B. aangeboren taalvermogen; creatief bouwen
C. imitatie
D. passend taalaanbod en interactie met de omgeving

Slide 5 - Open question

Wat is volgens de ´interactionele benadering´ een noodzakelijke voorwaarde voor de verwerving van de moedertaal?
A. communicatie met leeftijdsgenoten
B. creativiteit
C. imitatie
D. passend taalaanbod en interactie met de omgeving

Slide 6 - Open question

Leg in eigen woorden uit wat volgens ´mentalisme´ het verwerven van taal inhoudt.

Slide 7 - Open question

De Syrische Amir komt op zijn vierde naar Nederland. Thuis spreekt hij Arabisch en vanaf zijn komst naar Nederland leert hij Nederlands op de peuterspeelzaal. Hij blijft beide talen actief gebruiken. Van welke taalvaardigheid is sprake bij Amir?
A. Er is sprake van simultane taalvaardigheid.
B. Er is sprake van successieve taalvaardigheid.
C. Er is sprake van eerst simultane en vervolgens successieve taalvaardigheid.
D. Er is sprake van zowel simultane als successieve taalvaardigheid.

Slide 8 - Open question

De Spaanse Lucia groeit op in een gezin waar vanaf haar geboorte zowel Spaans als Nederlands wordt gesproken. Beide talen ontwikkelt zij gelijktijdig en op een hoog niveau. Van welke taalvaardigheid is sprake bij Lucia?
A. Er is sprake van simultane taalvaardigheid.
B. Er is sprake van successieve taalvaardigheid.
C. Er is sprake van eerst successieve en vervolgens simultane taalvaardigheid.
D. Er is sprake van passieve meertaligheid.

Slide 9 - Open question

Kies uit: orthografie, syntaxis, fonologie, morfologie, pragmatiek, semantiek.
1. Welk van de volgende woorden is een verkleinvorm, samenstelling of vervoeging? boekenkast / liep / bloemetje / vriendelijk
2. Zet de volgende zinsdelen in de juiste volgorde: morgen / gaat / naar school / de jonge leerling
3. Wat betekent het woord enorm?
4. /boeek/ – /boek/
5. Lisa zegt tegen haar juf: “Geef mij die pen.” De juf antwoordt: “Hoe kun je dat ook beleefd zeggen?”
6. Hoe spel je het woord bibliotheek?

Slide 10 - Open question

Instructie.
Taal 2.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer welke verschillende functies taal heeft (taalfuncties).
  2. Ik leer meer over de mondelinge taalvaardigheid.

    Spreek- en luisterstrategieën​
    Spreek- en luisterdoelen​
  3. Ik leer de principes van woordenschatverwerving.

Deze les bevat theorie vanuit bijeenkomst 2 en 3.



Slide 11 - Slide

Instructie.
Taalfuncties.
1. Conceptualiserende taalfunctie.
Bij de conceptualiserende taalfunctie gebruik je taal om te denken en ideeën te ordenen. Taal helpt om de werkelijkheid te begrijpen en te structureren.

Deze functie bestaat uit:
  • Fantaseren: bedenken van niet-bestaande of denkbeeldige situaties.
  • Projecteren: vooruitdenken, plannen maken of je voorstellen wat er kan gebeuren.
  • Redeneren: logisch nadenken, verbanden leggen en conclusies trekken.

Deze vormen horen bij ´denken met taal´.

Slide 12 - Slide

Instructie.
Taalfuncties.
2. Communicatieve taalfunctie.
Bij de communicatieve taalfunctie gebruik je taal om informatie over te brengen aan anderen.

Hieronder valt:
  • Rapporteren: vertellen wat er is gebeurd, wat je ziet of weet (feiten en ervaringen delen).

Deze functie draait om ´informatie delen met anderen´.

Slide 13 - Slide

Instructie.
Taalfuncties.
3. Expressieve taalfunctie.
Bij de expressieve taalfunctie gebruik je taal om invloed uit te oefenen, gevoelens te uiten of jezelf te positioneren.
Deze functie bestaat uit:
  • Sturing van anderen: iemand iets laten doen of beïnvloeden (bijv. bevelen, verzoeken).
  • Sturing van het gesprek: bepalen hoe het gesprek verloopt (bijv. beurt nemen, onderwerp veranderen).
  • Zelfhandhaving: voor jezelf opkomen, grenzen aangeven.
  • Zelfsturing: jezelf aansturen met taal (bijv. hardop plannen of jezelf corrigeren).

Deze vormen hebben te maken met ´invloed, emoties en gedrag´.

Slide 14 - Slide

Instructie.
Mondelinge taalvaardigheid.
Spreek- en luisterdoelen.

1. Informeren
Bij informeren geeft de spreker feitelijke informatie of uitleg.
Doel: de luisteraar iets laten weten of begrijpen.
Voorbeeld: uitleggen hoe het schoolsysteem werkt.

2. Amuseren
Bij amuseren wil de spreker de luisteraar vermaken.
Doel: plezier, ontspanning of lachen oproepen.
Voorbeeld: een grappig verhaal vertellen.

Slide 15 - Slide

Instructie.
Mondelinge taalvaardigheid.
3. Instrueren
Bij instrueren geeft de spreker stappen of aanwijzingen.
Doel: de luisteraar iets laten doen op de juiste manier.
Voorbeeld: uitleggen hoe een opdracht uitgevoerd moet worden.

4. Overtuigen
Bij overtuigen probeert de spreker de mening of houding van de luisteraar te veranderen.
Doel: de luisteraar ergens van overtuigen met argumenten.
Voorbeeld: uitleggen waarom huiswerk belangrijk is.

Slide 16 - Slide

Instructie.
Mondelinge taalvaardigheid.
5. Emotioneren
Bij emotioneren wil de spreker gevoelens oproepen bij de luisteraar.
Doel: raken, ontroeren, boos maken of medeleven oproepen.
Voorbeeld: een aangrijpend verhaal vertellen.

6. Waarderen
Bij waarderen geeft de spreker een mening of oordeel.
Doel: laten weten wat je ergens van vindt.
Voorbeeld: zeggen dat je trots bent op het werk van een leerling.

Slide 17 - Slide

Instructie.
Mondelinge taalvaardigheid.
7. Beschouwen
Bij beschouwen denkt de spreker hardop na over een onderwerp en belicht het van meerdere kanten.
Doel: inzicht geven zonder direct te overtuigen.
Voorbeeld: samen nadenken over voor- en nadelen van sociale media.

Slide 18 - Slide

Instructie.
Mondelinge taalvaardigheid.
De relatie tussen luisterstrategieën en luisterdoelen.



Slide 19 - Slide

Instructie.
Woordenschatverwerving.
De principes van woordenschatverwerving.

1. Labelen – concrete betekenis
Bij labelen leert een leerling een woord koppelen aan een concreet object of handeling.
Het woord fungeert als label voor iets wat je kunt zien of aanwijzen.
Voorbeeld: het woord stoel koppelen aan een echte stoel in de klas.

2. Categoriseren – abstracte betekenis
Bij categoriseren leert een leerling dat een woord bij een groep of categorie hoort.
Het woord krijgt een abstractere betekenis.
Voorbeeld: begrijpen dat stoel, bank en kruk allemaal onder meubels vallen.

Slide 20 - Slide

Instructie.
Woordenschatverwerving.
3. Netwerkopbouw – contextuele betekenis
Bij netwerkopbouw wordt een woord onderdeel van een netwerk van woorden en betekenissen.
De betekenis wordt rijker en contextafhankelijk.
Voorbeeld: weten dat bank iets anders betekent in “op de bank zitten” dan in “geld op de bank zetten”.

Slide 21 - Slide

Zelfstandige verwerking.
Kennis testen.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer welke verschillende functies taal heeft (taalfuncties).
  2. Ik leer meer over de mondelinge taalvaardigheid.
    Spreek- en luisterstrategieën​
    Spreek- en luisterdoelen​
  3. Ik leer de principes van woordenschatverwerving.

Slide 22 - Slide

Taalfuncties.
Lees de onderstaande uitspraken van leerlingen. Welke taalfunctie staat centraal?

a. “Als we morgen eerder beginnen, zijn we sneller klaar met knutselen.”
b. “Ik wil eerst vertellen wat ik heb meegemaakt, daarna mag jij.”
c. “Stop, ik vind dit niet leuk.”

Slide 23 - Open question

Spreek- en luisterdoelen. | Lees de onderstaande situaties. Welk doel staat centraal? Kies uit: informeren, amuseren, instrueren, overtuigen, emotioneren, waarderen, beschouwen.

a. Een leerkracht legt stap voor stap uit hoe leerlingen een werkstuk moeten maken.
b. Een leerling vertelt een spannend verhaal om de klas te laten meeleven.
c. Een ouder vertelt waarom hij vindt dat zijn kind recht heeft op extra begeleiding.

Slide 24 - Open question

Luisterstrategieën en luisterdoelen. | Lees de onderstaande situaties. Welke luisterstrategie en welk luisterdoel horen hierbij?

a. Een leerling luistert naar de uitleg van de leerkracht om te weten hoe hij een rekensom moet oplossen.
b. De klas luistert naar een spannend verhaal dat wordt voorgelezen.
c. Leerlingen luisteren naar een debat om te bepalen met welke spreker zij het eens zijn.

Slide 25 - Open question

Welke principes van woordenschatverwerving worden in a, b en c toegepast?
Een leerkracht introduceert het woord brug in groep 4.
a. De leerkracht wijst tijdens een wandeling naar een echte brug en zegt: “Dit is een brug.”
b. Later laat de leerkracht plaatjes zien van verschillende bruggen (houten brug, spoorbrug, loopbrug) en bespreekt wat ze gemeen hebben.
c. Tot slot gebruikt de leerkracht het woord in zinnen als:
“We slaan een brug tussen twee vakken” en “De brug is een belangrijke verbinding.”

Slide 26 - Open question

De volgende les.
Wat ga je leren?
De volgende les:
  • Ik leer wat impliciet en expliciet stimuleren van woordenschat betekent.
  • Ik leer verschillende didactische aanpakken om woorden aan te leren.
  • Ik leer wat taalbeschouwing is.

Belangrijk: Ik stuur je, na elke les, de LessonUples naar je toe. Herhalen is belangrijk.



Slide 27 - Slide