sem 12/13 1hv 1v herhaling un 3 je parle de mes préférences

Bonjour!
Le programme d'aujourd'hui

les absents...
répétition unité 3
-les verbes en -er
-le vocabulaire
-de vraagwoorden
-zelfstandig: oefenen voor de toets
SO open eind les








1 / 43
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo g, t, mavo, havoLeerjaar 1,3

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 35 min

Items in this lesson

Bonjour!
Le programme d'aujourd'hui

les absents...
répétition unité 3
-les verbes en -er
-le vocabulaire
-de vraagwoorden
-zelfstandig: oefenen voor de toets
SO open eind les








Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Evy zit op de plek van Kyan en Kyan gaat naast Fishale zitten
Kyan
Evy

Slide 3 - Slide

parler/ les absents
Tu aimes quelle matière?? Van welk vak houd jij?
J'aime le/la/les/ l'...................
l'anglais (Engels)
le français (Frans)
les maths (wiskunde)

Tu peux épeler ton prénom / nom de famille? 
e=uh  g=zjee h=asj  j=zjie w=double v  y=iegrec  z-zed




Slide 4 - Slide

Schrijf alle vraagwoorden op die je hoort in dit filmpje.

Slide 5 - Slide

Welke vraagwoorden heb jij genoteerd?

Slide 6 - Mind map

De vraagwoorden:
comment                            combien
qui                                          parce que     
quel    / quelle                   que
où 
pourquoi
quand
est-ce que: qu'est-ce que tu fais comme hobby? est-ce que heeft géén betekenis

Slide 7 - Slide

lesstof toetsweek
week 14  learnbeat : lezen
gebruik je boek bij de voorbereiding! 

Slide 8 - Slide

voca
Altijd Frans-Nederlands én Nederlands-Frans. 
Je kent ook de lidwoorden.

3 minuten : herhaal appr 4 6 en 8 en de vraagwoorden
 zie week 14 Learnbeat


timer
3:00

Slide 9 - Slide

vertaal:
de scheikunde

Slide 10 - Open question

vertaal:
lezen

Slide 11 - Open question

Je parle l'allemand.
A
Ik spreek Engels.
B
Ik spreek Nederlands.
C
Ik spreek Duits.
D
Ik spreek Frans.

Slide 12 - Quiz

vertaal: het schoolvak

Slide 13 - Open question

vertaal: presque

Slide 14 - Open question

vertaal: blijven zitten
A
dessiner
B
pratiquer
C
redoubler
D
lire

Slide 15 - Quiz

appr 3
de werkwoorden op -er
het uitlegfilmpje staat in Learnbeat!

Slide 16 - Slide

Wat is de eerste stap om werkwoorden op er te vervoegen?

Slide 17 - Open question

Wat is de goede vorm?
Elles ................ du piano. jouer

Slide 18 - Open question

vertaal: jullie tekenen (kleine letters)

Slide 19 - Open question

danser
dansen
Je / J'
Tu
Il/elle/on
Nous
Vous
Ils/elles
Werkwoorden op -ER. Sleep de vervoegingen van het werkwoord naar de juiste persoon.
danse
dansent
dansons
danse
danses
dansez

Slide 20 - Drag question

Werkwoorden op -er. Sleep de vervoegingen van het werkwoord naar de juiste persoon.
je
tu
il / elle / on
nous
vous
ils / elles
parle
habitez
regardons
détestent
joue
danses

Slide 21 - Drag question

appr 5  (1F)
werkwoorden van voorkeur
verbes de préférence

Slide 22 - Slide

Welke zin is correct?
A
Marc aime le tennis.
B
Marc aime tennis

Slide 23 - Quiz

J'aime
A
Ik haat
B
Ik heb
C
Ik praat
D
Ik hou van/ ik vind leuk

Slide 24 - Quiz

Ik heb een hekel aan
A
J'adore
B
Je déteste
C
Elle adore
D
J'aime

Slide 25 - Quiz

J'adore
A
Ik heb
B
Ik hou van/ ik vind leuk
C
Ik ben
D
Ik ben dol op

Slide 26 - Quiz

Je préfère
A
Ik heb liever
B
Ik woon
C
Ik spreek
D
Ik hou van

Slide 27 - Quiz

Vertaal deze zin: Ik heb een hekel aan tennis.
Denk aan hoofdletter en punt.

Slide 28 - Open question

Ik ben dol op
Ik hou van/ ik vind leuk
Ik heb liever
Ik hou niet van/ ik vind niet leuk
Ik heb een hekel aan
Je n'aime pas
J'adore
Je préfère 
Je déteste
J'aime
Je suis
J'ai

Slide 29 - Drag question

Mes préfèrences
Exemples:
  • J'aime les maths
  • J'adore les vacances
  • Je préfère la musique pop
  • Je déteste les films d'horreur

Slide 30 - Slide

Vertaal de zin:
Hij is dol op tennis.
Begin met een hoofdletter en eindig met een punt.

Slide 31 - Open question

de vraagwoorden

Slide 32 - Slide

Welke Franse vraagwoorden weet je nog?

Slide 33 - Mind map

Wat betekent comment?

Slide 34 - Open question

Où est Meppel?
A
waar
B
hoe
C
wie

Slide 35 - Quiz

Wat betekent qui?

Slide 36 - Open question

............. elle s'appelle?
A
qui
B
que
C
comment
D
pourquoi

Slide 37 - Quiz

dernière question....

Slide 38 - Slide

Welk woord hoort op de stippellijn?
................... a un chien?
A
quand
B
C
qui
D
comment

Slide 39 - Quiz

Eind van de toets: korte tekst met vragen. Antwoord in het Nederlands, tenzij anders aangegeven.

Slide 40 - Slide

Ik weet wat ik moet kunnen en kennen voor de toets van unité 3.
😒🙁😐🙂😃

Slide 41 - Poll

Maak de opdrachten in Learnbeat. Deze opdrachten bereiden je voor op de toets.

Ben je klaar? Ga alvast leren voor de toets (zie lesstof week 14)

Slide 42 - Slide

evt: Petit Nicolas
A

Slide 43 - Quiz