31 maart landen

Vandaag
Opwarmer - quiz vlaggen
Thema landen en bestemmingen
Doelen bespreken
Uitproberen diverse methodes







1 / 26
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundePraktijkonderwijsLeerjaar 1

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Vandaag
Opwarmer - quiz vlaggen
Thema landen en bestemmingen
Doelen bespreken
Uitproberen diverse methodes







Slide 1 - Slide

Opwarmer
Kies een land!






Slide 2 - Slide

Doelen

Woordenschat: landen, nationaliteiten, vakantieactiviteiten
Zinnen maken met gaan naar, willen, houden van
Eenvoudig spreken over vakantieplannen
Begrijpend lezen en spreken (A1 → A2)






Slide 3 - Slide


A
Hongarije
B
Italië
C
België

Slide 4 - Quiz


A
Nederland
B
Frankrijk
C
Luxemburg

Slide 5 - Quiz


A
Duitsland
B
België
C
Polen

Slide 6 - Quiz


A
Spanje
B
Malta
C
Cyprus

Slide 7 - Quiz


A
Estland
B
Letland
C
Polen

Slide 8 - Quiz


A
Frankrijk
B
Duitsland
C
Nederland

Slide 9 - Quiz


A
België
B
Duitsland
C
Ierland

Slide 10 - Quiz


A
Griekenland
B
Nederland
C
Portugal

Slide 11 - Quiz


A
Oostenrijk
B
Italië
C
Zweden

Slide 12 - Quiz


A
Zweden
B
Finland
C
Litouwen

Slide 13 - Quiz

Spreken
Vraaggesprek:

Waar woon je?
Waar ben je op vakantie geweest?
Wat is jouw droomland?






Slide 14 - Slide

Spreken
“Ik woon in …” - I live in...
“Ik ben naar … geweest” - I have been to
“Ik wil graag naar … gaan” - I would like to go to






Slide 15 - Slide

Woordenschat
In een schrift / google docs






Slide 16 - Slide

Landen
Nederland
Frankrijk
Spanje
Italië
Marokko
Turkije
Japan
Brazilië
Verenigd Koninkrijk / Engeland / Groot Brittannië
Oostenrijk
Nationaliteiten
Nederlands
Frans
Spaans
Italiaans
Marokkaans
Turks
Japans
Braziliaans
Brits
Oostenrijks

Slide 17 - Slide

Vakantiewoorden
het strand
de bergen - mountains
het hotel
kamperen
reizen -  to travel
het vliegtuig - the plane
de trein
het zwembad - swimming pool
Vliegveld / Luchthaven- airport
Toerist - tourist

Nog meer woorden?
bezienswaardigheden - landmarks
kaart - map

Slide 18 - Slide

Welk land hoort bij....

Nationaliteit --> land






Slide 19 - Slide

Lezen
Sara gaat op vakantie naar Spanje. Ze gaat met het vliegtuig. Ze verblijft in een hotel bij het strand. Overdag zwemt ze in de zee en ’s avonds eet ze in restaurants. Ze vindt Spanje leuk omdat het warm is.

Waar gaat Sara naartoe? Sara gaat naar Spanje
Hoe reist ze? Ze reist met het vliegtuig.
Wat doet ze overdag? Ze zwemt in de zee
Waarom vindt ze Spanje leuk? Ze vindt Spanje leuk omdat het warm is.






Slide 20 - Slide

Spreken
Modelzinnen:

Ik ga naar Spanje.
Ik wil naar Japan gaan. willen / want / would like to
Ik houd van het strand. I love
Ik ga met het vliegtuig.






Slide 21 - Slide

Spreken
combineren:
Ik wil naar ___ gaan, want / omdat___.
Ik wil naar Oostenrijk gaan, omdat er bergen zijn.
omdat er een berg is
Ik ga met ___.
Ik wil naar Italië omdat het eten daar lekker is
interessant
Het vliegtuig
de/het (the)





Slide 22 - Slide

To be - zijn
Enkelvoud (singular)
ik ben
je/jij / u bent
hij/zij/ze / het is
Meervoud (plural)
Wij zijn
jullie zijn
Zij / ze zijn

Slide 23 - Slide

Opdracht:
Schrijf 5–7 zinnen over jouw droomvakantie.
Gebruik:
Ik wil naar …
Ik ga met …
Ik verblijf in …
Ik houd van …
Omdat …

“Ik wil naar Japan gaan. Ik ga met het vliegtuig. Ik verblijf in een hotel. Ik houd van de cultuur omdat het interessant is.”






Slide 24 - Slide

Raad het land
https://docs.google.com/document/d/110hZ68_PcoUZZCoKi-fTXA62rVMyytMtNmKCyex-Gpw/edit?usp=sharing

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Link