Verwijswoorden (makkelijk)

1 / 27
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 4

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video



Ik heb een nieuwe kast. ... is erg mooi.
A
Hij
B
Het
C
Ze

Slide 3 - Quiz

Wat een mooi boek! Waar heb je ...gekocht?
A
ze
B
het
C
hij

Slide 4 - Quiz

Ik heb nieuwe lampen. ... zijn erg mooi.
A
Ze
B
Het
C
Hij
D
We

Slide 5 - Quiz

Ik heb leuk werk. ... doe ik al twee jaar!
A
Hij
B
Deze
C
Dit
D
Die

Slide 6 - Quiz


Het raam is kapot. Ik moet ..vervangen.
A
hem
B
ze
C
hij
D
het

Slide 7 - Quiz

Hoe gaat het met ..... ?
A
wij
B
jij
C
jouw
D
jou

Slide 8 - Quiz

... maakt een tekening.
A
De kinderen
B
Ik
C
Zijn
D
De student

Slide 9 - Quiz

De verkoper geeft ... een trui.
A
wij
B
mij
C
mijn
D
ik

Slide 10 - Quiz

Geef terug! Dat is niet ... telefoon!
A
jou
B
jij
C
hem
D
jouw

Slide 11 - Quiz

Ik ga naar die grote supermarkt. Ik koop ... groentes.
A
het
B
die
C
daar
D
hij

Slide 12 - Quiz

Ik voel ... niet goed.
A
me
B
ik
C
jouw
D
jij

Slide 13 - Quiz

Schrijf op:
een zin met jou.
een zin met jouw.

Slide 14 - Open question

Lesdoel
In deze les: 
Kan je de verwijswoorden die, dat en wat herkennen. 
Kan je in een zin de juiste verwijswoorden opschrijven. 

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Video

Even herhalen
Je schrijft dat: bij alle het-woorden
Je schrijft die: bij alle de-woorden (enkelvoud en meervoud)
Je schrijft wat: 
  1. na een hele zin
  2. iets onbepaalds (iets, alles, datgene, dat, enige) --> het enige wat ik belangrijk vind
  3. een overtreffende trap --> dat is het mooiste wat mij is overkomen

Slide 17 - Slide

De jongen ..... met Ilona zit te kletsen, heet Leonardo.
A
dat
B
wat
C
die

Slide 18 - Quiz

Waar is mijn fiets? ..... staat buiten.
A
die
B
dat
C
wat

Slide 19 - Quiz

Het kleed ..... daar ligt, is van mijn moeder geweest.
A
wat
B
die
C
wie
D
dat

Slide 20 - Quiz

In welke zin is het juiste verwijswoord gebruikt?
A
Het enige dat je ziet, is een kale vlakte.
B
Het enige wat je ziet, is een kale vlakte.

Slide 21 - Quiz

In welke zin is het juiste verwijswoord gebruikt?
A
We gingen een film kijken, die zij niet leuk vond.
B
We gingen een film kijken, wat zij niet leuk vond.

Slide 22 - Quiz

In welke zin is het juiste verwijswoord gebruikt?
A
Ik haalde een hoog cijfer, wat ik goed kon gebruiken
B
Ik haalde een hoog cijfer, dat ik goed kon gebruiken.

Slide 23 - Quiz

In welke zin is het juiste verwijswoord gebruikt?
A
Dat is het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt.
B
Dat is het mooiste dat ik ooit heb meegemaakt.

Slide 24 - Quiz

Schrijf twee zinnen. Gebruik een verwijswoord.

Slide 25 - Open question

*Hij nodigt ... uit.
A
hem
B
hij
C
wij
D
zij

Slide 26 - Quiz

Wat vond je van deze les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 27 - Poll