WEBB Markt & overheid 1.1 t/m 1.10 (aangepast)

Welkom
5 havo ECONOMIE  ||  2023-2024
1 / 42
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welkom
5 havo ECONOMIE  ||  2023-2024

Slide 1 - Slide

Programma
  • Kennismaken
  • Theorie (wisbordjes)
  • Aan de slag
  • Terugblik

Slide 2 - Slide

Even voorstellen
Danielle Webbers (WEBB)
dwebbers@gsf.nl
Docent economie / bedrijfseconomie

Slide 3 - Slide

Classroom code
qsf6tr5

https://classroom.google.com/c/NjIxODg3ODg5MzQz?cjc=qsf6tr5



Slide 4 - Slide

LessonUp klas
https://lessonup.app/invite/group/whivr

Slide 5 - Slide

Activiteit: weet jij het nog?
Je krijgt van de docent een bordje met een stift. 
De docent leest een omschrijving voor.
Schrijf het begrip op wat hierbij hoort. 
Je schrijft het begrip groot op, zodat de docent dit kan lezen.

Slide 6 - Slide

De prijs die bepaald wordt door de totale vraag en aanbod.

Slide 7 - Slide

De prijs die bepaald wordt door de totale vraag en aanbod.
→ evenwichtsprijs.

Slide 8 - Slide

Een goed waarbij het voor de consument niet uitmaakt wie het produceert.

Slide 9 - Slide

Een goed waarbij het voor de consument niet uitmaakt wie het produceert.
--> Homogeen

Slide 10 - Slide

Wat is voor de meeste aanbieders de reden om een product op de markt te brengen?

Slide 11 - Slide

Wat is voor de meeste aanbieders de reden om een product op de markt te brengen?
--> Winst

Slide 12 - Slide

Bereken de evenwichtsprijs
QV = -2P + 70
Qa = 3P - 30

Slide 13 - Slide

Bereken de evenwichtsprijs
QV = -2P + 70
Qa = 3P - 30

Qv = Qa
-2P + 70 = 3P - 30
-5P = -100
P = 20 --> de evenwichtsprijs.

Slide 14 - Slide

Bereken de omzet in de evenwichtssituatie 
QV = -2P + 70
Qa = 3P - 30
P = 20 --> de evenwichtsprijs.


Slide 15 - Slide

Bereken de omzet in de evenwichtssituatie 
QV = -2P + 70
Qa = 3P - 30
P = 20 --> de evenwichtsprijs.
Evenwichtshoeveelheid --> 
Qv = -2 x 20 + 70 = 30
Qa = 3 x 20 - 30 = 30
Omzet = p x q = 20 x 30 = 60 


Slide 16 - Slide

Teken de vraag en aanbodlijn
Benoem de assen!
QV = -2P + 70
Qa = 3P - 30


Slide 17 - Slide

Teken de vraag en aanbodlijn
Benoem de assen! Q = X-as en P = Y-as
QV = -2P + 70
--> Voor Qv 0 --> 0 = -2p + 70 --> 2p = 70 --> P = 35
--> Voor P 0 --> Qv = 70 
Qa = 3P - 30
--> Voor Qa 0 --> 0 = 3P - 30 --> -3P = -30 --> P = 10
--> Je weet het start punt en het evenwicht al. 


Slide 18 - Slide

Marktvormen
Om welke marktvorm het gaat, wordt vooral bepaald door twee factoren: 
  • de aard van de producten
  • het aantal aanbieders (die deze producten willen verkopen)

Slide 19 - Slide

Aanbieders
Een aanbieder is aanwezig op de markt om goederen of diensten te verkopen aan haar vragers. 

In een markt kan je één aanbieder, een beperkt aantal aanbieders of veel aanbieders hebben

Slide 20 - Slide

De aard van het product

Homogene goederen zijn producten waarvan elke eenheid in de ogen van de afnemer precies hetzelfde is

Heterogene goederen zijn goederen of diensten waar je als klant verschillen in kan zien

Slide 21 - Slide

Toetreding tot 
de markt
De toetreding tot een markt kan vrij zijn of beperkt worden door marktbarrières. 
Voorbeelden van zulke barrières zijn:

  • patentbelemmeringen
  • vestigingseisen
  • juridische barrières

Slide 22 - Slide

Marktvormen
Als je weet hoeveel aanbieders en vragers er zijn, en welke aard het product heeft (homogeen/heterogeen) kan je de marktvorm bepalen:

  • Volkomen concurrentie
  • Monopolie
  • Oligopolie
  • Monopolistische concurrentie

Slide 23 - Slide

Geef een voorbeeld van een homogeen product en leg uit waarom dit homogeen is.

Slide 24 - Open question

Volkomen concurrentie
Hoe bepaal je de winst van een aanbieder op de markt van volkomen concurrentie?

Kernwoorden:
- hoeveelheidsaanpasser
- prijsafzetlijn

Slide 25 - Slide

Kenmerken volkomen concurrentie
Kenmerken van deze marktvorm zijn:
  • veel vragers en aanbieders 
  • homogene producten 
  • vrije toe- en uittreding 
  • transparante markt 
  • producenten hebben dezelfde productietechnologie, dus dezelfde TK-functie

Slide 26 - Slide

Hoeveelheidssaanpassers
Door bovenstaande kenmerken hebben aanbieders geen invloed op de prijs die ze krijgen; het zijn hoeveelheidsaanpassers.


Bij volkomen concurrentie wordt de prijs bepaald door vraag en aanbod


Slide 27 - Slide

Prijsafzetlijn
De marktprijs die ontstaat is tevens de prijsafzetlijn voor de hoeveelheidsaanpasser. Dit is dus een horizontale lijn bij de marktprijs. 

Slide 28 - Slide

Prijsafzetlijn
De marktprijs die ontstaat is tevens de prijsafzetlijn voor de hoeveelheidsaanpasser. Dit is dus een horizontale lijn bij de marktprijs. 

Slide 29 - Slide

Winst uit grafiek
De winst kun je aflezen uit de grafiek:

Slide 30 - Slide

Winst in grafiek
De winst kun je aflezen uit de grafiek.
Stap 1: bepaal afzet waarbij MO = MK
Stap 2: Bepaal TO – TK; dit is (GO – GTK) x q

Slide 31 - Slide

Winst op lange termijn
Op lange termijn zal de winst echter nul zijn. 

Als er nl. winst gemaakt wordt, zullen er aanbieders ..............................., waardoor de aanbodlijn naar ................ verschuift. Prijs ..........................., MO-lijn .......................... Winst wordt minder.
Dit gaat zo door tot er geen winst meer wordt gemaakt.


Slide 32 - Slide

Winst op lange termijn
Op lange termijn zal de winst echter nul zijn. 

Als er nl. winst gemaakt wordt, zullen er aanbieders toetreden, waardoor de aanbodlijn naar rechts verschuift. Prijs daalt, MO-lijn daalt. Winst wordt minder.

Dit gaat zo door tot er geen winst meer wordt gemaakt.


Slide 33 - Slide

Prijs op lange termijn
De toetreding en verschuiving van aanbodlijn en dus prijsafzetlijn gaat door tot er geen winst meer wordt gemaakt. De prijs ligt dan zo laag dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt op het minimum van GTK.
Het evenwicht van volkomen concurrentie op lange termijn ligt daarom bij de prijs waarbij de GTK op z’n laagste is.

Slide 34 - Slide

Herhaling consumenten- en producentensurplus
Het consumentensuplus:
(22 - 10) x 2.000 / 2
= € 12.000
Het producentensurplus:
(10 - 3) x 2.000 / 2
= € 7.000

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Slide

Waar reageren klanten het sterkst op een prijsverandering?

Slide 37 - Slide

Prijselasticiteit is -0,5.
Dit betekent dat...
A
Als P -10%, dan Qv +5%
B
Als P +10%, dan Qv +5%
C
Als p met 10 stijgt, Qv met 5 stijgt
D
Als Qv met 10% moet stijgen, prijs met 5% moet dalen

Slide 38 - Quiz


Wat betekent een prijselasticiteit van -1,5%
A
Als de prijs met 1% wordt verhoogd, komen er 1,5% meer klanten bij.
B
Als de prijs met 1% wordt verlaagd, vertrekken 1,5% van de klanten.
C
Als de prijs met 1% wordt verhoogt, vertrekken er 1,5% van de klanten.
D
Als de prijs met 1% wordt verlaagd, komen er 1,5% meer klanten bij.

Slide 39 - Quiz

Een product met een prijselasticiteit van 0.5 is...
A
inelastisch
B
elastisch
C
volkomen inelastisch
D
volkomen elastisch

Slide 40 - Quiz

Slide 41 - Video

Aan het werk
Maken 1.1 t/m 1.10
Nakijken
  • Wat heb je goed gedaan?
  • Wat kun je beter doen?

Tekenen vraag en aanbodlijn --> Lukt 1.6c?
1.6 en 1.7 bespreken. 

Slide 42 - Slide