Les van 15 april (19 april)

Les van 15 april
Wat gaan we doen?
- Woordenschat bij tekst "Graven in de geschiedenis";
 -  Woordbenoeming en samengestelde zinnen;
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 5;
- Nieuwsbegrip.
1 / 59
next
Slide 1: Slide
Nederlands8th Grade

This lesson contains 59 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les van 15 april
Wat gaan we doen?
- Woordenschat bij tekst "Graven in de geschiedenis";
 -  Woordbenoeming en samengestelde zinnen;
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 5;
- Nieuwsbegrip.

Slide 1 - Slide

Woordenschat

We gaan kijken naar de woordenschatwoorden bij de tekst "Graven in de geschiedenis"

Slide 2 - Slide

Woordenschat

Wat betekent het gekleurde woord bij de volgende vragen?

Slide 3 - Slide


"Ik weet niet of ik dat moet geloven", zei mijn moeder sceptisch.
A
Boos en met een harde stem
B
Twijfelend en met bedenkingen

Slide 4 - Quiz


Ben ik nu eindelijk aan de beurt? Mijn handen jeuken.
A
Erg veel zin hebben om ergens aan te beginnen
B
Gaan samenwerken om iets belangrijks te bereiken

Slide 5 - Quiz

Woordenschat

Ga naar blz. 34 van je Taalboek Thema 6 en maak oefening 1 verder af

Slide 6 - Slide

Wat is het woord?
De wandelaar heeft........ van die goede routebeschrijving.

Slide 7 - Open question

Wat is het woord?
De onderzoekers werken aan een................. tegen de ziekte.

Slide 8 - Open question

Woordenschat
Ga naar blz. 35 van je Taalboek (Thema 6) en maak oefening 2 verder af

Slide 9 - Slide

Woordenschat

Zet het goede woord achter de zin

Slide 10 - Slide

De gewichtheffer tilt met gemak vijftig kilo op.

Kies uit: er je hand niet voor omdraaien/ in de regel/ mijn handen jeuken.

Slide 11 - Open question

Woordenschat
Ga naar blz. 35 van je Taalboek (Thema 6) en maak oefening 3 verder af.

Slide 12 - Slide

Woordbenoeming

Wat is een samengestelde zin ook alweer?

Slide 13 - Slide

Woordbenoeming
Laten we beginnen met wat een enkelvoudige zin ook alweer is.

Dat is een zin:

- zonder voegwoord
 - met maar 1 persoonsvorm (pv)
- en maar 1 onderwerp (ow)

Slide 14 - Slide

Woordbenoeming
Wat is een voegwoord ook alweer?

Een voegwoord plakt twee zinnen aan elkaar:

en, of, want, maar, omdat , terwijl, aangezien etc.

Slide 15 - Slide

Woordbenoeming
Hierbij een voorbeeld van een enkelvoudige zin:


Daan ging vanmorgen trainen in het zwembad
Voegwoord: geen
Pv: ging
Ow: Daan

Slide 16 - Slide

Woordbenoeming
Een samengestelde zin bestaat uit twee zinnen die met elkaar zijn verbonden door:

- een voegwoord
- er zijn dus ook 2 pv's
- en 2 ow's

Slide 17 - Slide

Woordbenoeming

Daan ging vanmorgen trainen in het zwembad, omdat hij graag mee wil doen aan belangrijke wedstrijden.


Wat zijn hier de twee zinnen?

Slide 18 - Slide

Woordbenoeming
Hoofdzin: Daan ging vanmorgen trainen in het zwembad
Bijzin: omdat hij graag mee wil doen aan belangrijke wedstrijden.

Voegwoord: omdat
Pv: ging, mee wil doen
Ow: Daan, hij

Slide 19 - Slide

Woordbenoeming

Ga naar blz. 16 van je nieuwe Taalboek Thema 6 en maak
 “eerst proberen” en daarna oefening 1.

Slide 20 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt
Wat is dat?

De taart is gebakken --> de gebakken taart

gebakken
zin 1: voltooid deelwoord
zin 2: een bijvoeglijk naamwoord

Slide 21 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt

Ga naar blz. 18 van je Taalboek en maak oefening 1.

Slide 22 - Slide

Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt

Maak daarna oefening 2.

Slide 23 - Slide

Woordbenoeming
Soms is een zelfde woord in de ene zin een andere woordsoort (en noem je het dus anders) dan in de andere zin:

We verloren zaterdag de wedstrijd.-> werkwoord

Vannacht droomde ik van die verloren wedstrijd.-> vdw

Slide 24 - Slide

Woordbenoeming

Ga naar blz. 26 van je Taalboek en maak de
 “eerst proberen” oefening en daarna oefening 1.

Slide 25 - Slide

Open en gesloten vragen


Wat is het verschil tussen een open vraag en een gesloten vraag?


Slide 26 - Slide

Open en gesloten vragen
Het belangrijkste verschil is dat:

open vragen uitnodigen tot een uitgebreid antwoord in eigen woorden (beginnend met wie, wat, waar, waarom, hoe)

gesloten vragen beperkt zijn tot een specifiek antwoord, vaak "ja" of "nee".

Slide 27 - Slide

Open vragen
- nodigen uit tot een uitgebreid antwoord in eigen woorden (beginnend met wie, wat, waar, waarom, hoe);
- Open vragen bieden meer informatie en diepgang, terwijl 

Voorbeeld:
 “Wat vind je van deze les?”




Slide 28 - Slide

Gesloten vragen
-  beperken zich tot een specifiek antwoord, vaak "ja" of "nee";
- zijn efficiënt zijn voor feitelijke controle;

Voorbeeld:
 “Is deze les afgerond?” of 
“Vind je deze les leuk?”

Slide 29 - Slide

Open en gesloten vragen


Ga naar blz. 19 van je taal boek en maak oefening 1

Slide 30 - Slide

Open en gesloten vragen


Ga naar blz. 19 van je taal boek en maak oefening 2

Slide 31 - Slide

Suggestieve vragen

- Dit is vaak een gesloten vraag;
- Er zit een antwoord of een oordeel in de vraag verstopt;
- De vragensteller stuurt de antwoorder in een bepaalde richting/ naar het antwoord dat hij graag wil horen.




Slide 32 - Slide

Suggestieve vragen
Voorbeeld:

- Jij komt niet naar het feestje, toch?
- Ik mag hopen dat jij taart lekker vindt.

Slide 33 - Slide

Suggestieve vragen


Ga naar blz. 28 van je taal boek en maak de 'eerst proberen' oefening en maak daarna oefening 1.

Slide 34 - Slide

Spelling

We beginnen nu met Thema 5

Slide 35 - Slide

Klein dictee
We gaan weer even een klein dictee doen.  We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alle en daarna druk je op 'send'.

Slide 36 - Slide


Slide 37 - Open question

Spelling

Werkwoord vervoeging

Slide 38 - Slide

Werkwoord vervoeging
Bekijk de volgende schema.

Ik stuur het je ook toe: print het (liefst in kleur), doe het in een plastic mapje en houd het voortaan altijd bij de hand.

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide

Werkwoord vervoeging

Bekijk de volgende filmpjes en maak aantekeningen!

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Video

Slide 43 - Video

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 44 - Slide

Hij (pakken) iets uit de kast.

Slide 45 - Open question

Jij (rijden) veel te hard.

Slide 46 - Open question

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 47 - Slide

Tegenwoordige tijd


UITZONDERING:


Als er 'je' of 'jij' achter het werkwoord staat: nooit een 't' toevoegen.

Slide 48 - Slide

Tegenwoordige tijd
Bijvoorbeeld:


Slaap je altijd met de gordijnen open?

Neem je meestal koffie mee naar het werk?

Dus ook: Word je ook zo moe van de hitte?


Slide 49 - Slide

Tegenwoordige tijd
Maar ALLEEN als het om jou gaat:

Slaapt je moeder altijd met de gordijnen open?

Neemt je zus meestal koffie mee naar het werk?
Dus ook: Wordt je broer ook zo moe van de hitte?

Slide 50 - Slide

Waarom ........ (beladen) jij het dak van de auto zo zwaar?

Slide 51 - Open question

Waarom (worden) je moeder altijd boos als je niet op tijd thuiskomt?

Slide 52 - Open question

Slide 53 - Slide

De uitspraak van de minister ........ veel opzien.

A
baardden
B
baardde
C
baarden
D
baarde

Slide 54 - Quiz

Zij werd al fysiek ........(bedreigen) door haar buurman en nu ........ (bedreigen) hij haar ook via social media.

Slide 55 - Open question

Heb je al gevoeld hoe mijn voorhoofd ........ ?


gloeidt


A
gloeid
B
gloeidt
C
gloeidt
D
gegloeid

Slide 56 - Quiz


Slide 57 - Open question

De chauffeur heeft de bus vakkundig door de smalle straatjes ........
A
gemanoeuvreerd
B
gemanouvreerd
C
gemanoeuvreert
D
gemanouvreert

Slide 58 - Quiz

De weduwe van de ........ juwelier ........ vorige week bij de rechtszaal de moordenaar bijna.
A
vermoordde - vermoordde
B
vermoordde - vermoorde
C
vermoorde - vermoorde
D
vermoorde -vermoordde

Slide 59 - Quiz