Opties

welke bewering is juist of onjuist:
1. het kopen van een auto is een vorm van beleggen
2. een aandeel is een schuldbewijs van een onderneming
A
beide beweringen zijn juist
B
bewering 1 is juist en bewering 2 is onjuist
C
bewering 1 is onjuist en bewering 2 is juist
D
beide beweringen zijn onjuist
1 / 22
next
Slide 1: Quiz
BedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

welke bewering is juist of onjuist:
1. het kopen van een auto is een vorm van beleggen
2. een aandeel is een schuldbewijs van een onderneming
A
beide beweringen zijn juist
B
bewering 1 is juist en bewering 2 is onjuist
C
bewering 1 is onjuist en bewering 2 is juist
D
beide beweringen zijn onjuist

Slide 1 - Quiz

This item has no instructions

antwoord d is juist
De bewering is onjuist. Het kopen van een auto is consumeren en niet beleggen. Beleggen doe je in aandelen, obligaties, onroerend goed, etc.
De bewering is onjuist. Een aandeel is een eigendomsbewijs (geen schuldbewijs in een onderneming.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Welke bewering is juist of onjuist?
1. De koerswaarde van een obligatie is gelijk aan de nominale waarde maal de beurskoers
2. Als de marktrente stijgt, stijgt de beurskoers van obligaties
A
Beide beweringen zijn juist
B
Bewering 1 is juist en bewering 2 is onjuist
C
Bewering 1 is onjuist en bewering 1 is juist
D
Beide beweringen zijn onjuist

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

antwoord B is juist
De bewering is juist. De beurskoers van een obligatie wordt uitgedrukt in procenten. De nominale waarde van een obligatie maal de beurskoers is dan de prijs of de koerswaarde van de obligatie.
De bewering is onjuist. Als de marktrente stijgt, daalt de beurskoers van een obligatie. De bestaande obligaties zijn dan minder aantrekkelijk omdat ze een lagere opbrengst genereren.

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Welke bewering is juist of onjuist?
1. Naarmate de resterende looptijd korter wordt, zal de koerswaarde van een obligatie dichter bij de nominale waarde komen te liggen.
2. De koper van een call optie heeft het recht om in de toekomst aandelen te verkopen tegen een vooraf afgesproken prijs.
A
beide beweringen zijn juist
B
Bewering 1 is juist en bewering 2 is onjuist
C
Bewering 1 is onjuist en bewering 2 is juist
D
Beide beweringen zijn onjuist

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Antwoord B is juist
De bewering is juist. Dit komt omdat op het einde van de looptijd, de nominale waarde van de obligatie wordt uitgekeerd.
De bewering is onjuist. De koper van een call optie heeft het recht om in de toekomst aandelen te kopen tegen een vooraf afgesproken prijs.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Welke bewering is juist of onjuist?
1. De beurskoers van een aandeel is altijd gelijk aan de prijs van dat aandeel.
2. Een obligatielening is een lening op lange termijn met veelal een groot aantal vermogensverschaffers
A
Beide beweringen zijn juist
B
Bewering 1 is juist en bewering 2 is onjuist
C
Bewering 1 is onjuist en bewering 2 is juist
D
Beide beweringen zijn onjuist

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

antwoord A is juist
De bewering is juist. Inderdaad, de beurskoers is de prijs van een aandeel.
De bewering is juist. Een obligatielening is een lening op lange termijn met heel veel vermogensverschaffers.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

De koper van een call optie heeft het recht om in de toekomst aandelen te verkopen tegen een vooraf afgesproken prijs.
A
De bewering is juist
B
De bewering is onjuist

Slide 9 - Quiz

De koper van een call optie heeft het recht om in de toekomst aandelen te KOPEN tegen een vooraf afgesproken prijs.
 B: De bewering is onjuist.
 Antwoord: De koper van een call optie heeft het recht om in de toekomst aandelen te KOPEN tegen een vooraf afgesproken prijs.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Een call optie koop je indien je verwacht dat de koers van de onderliggende aandelen gaat dalen
A
De bewering is juist
B
De bewering is onjuist

Slide 11 - Quiz

Een call optie koop je indien je verwacht dat de koers van de onderliggende aandelen gaat STIJGEN.
B: De bewering is onjuist.
 

Een call optie koop je indien je verwacht dat de koers van de onderliggende aandelen gaat STIJGEN.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Bij het schrijven van een put optie is het risico minder groot dan bij het schrijven van een call optie
A
De bewering is juist
B
De bewering is onjuist

Slide 13 - Quiz

Het risico bij een put optie is gelijk aan de uitoefenprijs (als het aandeel waardeloos is geworden. Het risico bij het schrijven van een call optie is theoretisch oneindig groot. Het risico is gelijk aan het verschil tussen de uitoefenprijs en beurskoers van dat aandeel. Als de beurskoers heel sterk gestegen is, kan dat de schrijver heel veel gaan kosten.
 A: De bewering is juist
Het risico bij een put optie is gelijk aan de uitoefenprijs (als het aandeel waardeloos is geworden. Het risico bij het schrijven van een call optie is theoretisch oneindig groot. Het risico is gelijk aan het verschil tussen de uitoefenprijs en beurskoers van dat aandeel. Als de beurskoers heel sterk gestegen is, kan dat de schrijver heel veel gaan kosten.

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Guus koopt drie call opties omdat hij verwacht dat de koers van het aandeel Fugro gaat stijgen. Een aandeel Fugro heeft nu een beurskoers van € 4,75. De uitoefenprijs is € 4,90. Na 3 maanden is de koers van het aandeel Fugro gestegen naar € 6,15. De optiepremie is € 0,40. Bereken het rendement dat Guus met het kopen van die call opties heeft behaald. Het rendement is de winst gedeeld door de investering x 100%.
A
212,50%
B
750,00%
C
937,50%
D
1005%

Slide 15 - Quiz

0,40 x 300 = 120 aankoopprijs
 300 x (6,15 - 4,90 - 0,40) = 255. winst
255/120 x 100% = 212,50%.

Het antwoord is A: 212,5
 Toelichting:
0,40 x 300 = 120 aankoopprijs
 300 x (6,15 - 4,90)  = 375 opbrengst
375 - 120 = 255 winst
255/120 x 100% = 212,50%.

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Guus koopt drie call opties omdat hij verwacht dat de koers van het aandeel Fugro gaat stijgen. Een aandeel Fugro heeft nu een beurskoers van € 4,75. De uitoefenprijs is € 4,90. Na 3 maanden is de koers van het aandeel Fugro gedaald naar € 4,60. De optiepremie is € 0,40. Bereken de waarde van de call opties na drie maanden
A
€ 90
B
€ 60
C
€ -30
D
€ 0,00

Slide 17 - Quiz

De call optie is waardeloos. Guus gaat geen aandelen kopen voor 4,90 als hij diezelfde aandelen op de beurs kan kopen voor 4,60.
Het antwoord is D: 0

De call optie is waardeloos. Guus gaat geen aandelen kopen voor 4,90 als hij diezelfde aandelen op de beurs kan kopen voor 4,60.


Slide 18 - Slide

This item has no instructions

De koper van een optie kan nooit meer verliezen dan het bedrag waarvoor hij/zij die opties heeft gekocht
A
De bewering is juist
B
De bewering is onjuist

Slide 19 - Quiz

Dat is zo. De koper van optie kan niet meer verliezen dan de optiepremie die moet worden betaald.
 A: De bewering is juist.
 
Dat is zo. De koper van optie kan niet meer verliezen dan de optiepremie die moet worden betaald.

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Als de koper van een put optie een daling van het onderliggende aandeel verwacht, verwacht de schrijver van die put optie juist een stijging of een mindere daling - dan de koper verwacht - van dat aandeel.
A
De bewering is juist
B
De bewering is onjuist

Slide 21 - Quiz

Inderdaad, als de koper van een put optie een daling verwacht, verwacht de schrijver van een put-optie een (lichte) stijging of een geringere daling van het aandeel van datzelfde aandeel.
 A: De bewering is juist
Inderdaad, als de koper van een put optie een daling verwacht, verwacht de schrijver van een put-optie een (lichte) stijging of een geringere daling van het aandeel van datzelfde aandeel.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions