2025 evolutie basisstof 1 t/m 4 oefenen

1 / 12
next
Slide 1: Drag question
Biologie / VerzorgingMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 15 min
Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Drag question

Slide 2 - Slide

Welke stoffen zijn organisch en welke zijn anorganisch?
Sleep de moleculen naar de juiste categorie.
anorganische moleculen
organische moleculen
water
glucose
zetmeel
zuurstof
aminozuur
eiwit
CO2
nitraat
DNA
stikstof (N2)
RNA
bladgroen

Slide 3 - Drag question

Welk celtype hoort bij welk domein/rijk?
prokaryota
funghi&nbsp;<div>(schimmels)</div>
animalia<div>(dieren)</div>
plantae<div>(planten)</div>

Slide 4 - Drag question

in afwezigheid van zuurstof
maakt organische stof uit anorganische stof
cellen van dit organisme hebben (echte) celkernen
cellen van dit organisme hebben geen celkernen
in aanwezigheid van zuurstof
organismen die organische stof maken uit andere organische stof
autotroof
prokaryoot
anaeroob
eukaryoot
aeroob
heterotroof

Slide 5 - Drag question

Welke soort is het meest verwant aan de leeuw? Panthera leo
A
Felis catus (huiskat)
B
Panthera tigris (tijger)
C
Lynx lynx

Slide 6 - Quiz

Hoe komen giraffen niet aan hun lange nek?
A
Door steeds uit te rekken wordt de nek steeds langer. Dit wordt doorgegeven aan de nakomelingen.
B
Doordat de voorouders een selectievoordeel hadden van de lange nek werd dit gen doorgegeven.

Slide 7 - Quiz

Wat is geen misconcept over de evolutie?
A
je kan zelf evolueren
B
dieren met dezelfde uiterlijke kenmerken zijn altijd verwant
C
de sterkte wint altijd in de evolutie
D
evolutionaire veranderingen nemen generaties in beslag

Slide 8 - Quiz

Bruine muizen overleven beter en planten vaker voor in een woestijnomgeving omdat lichtere muizen vaker door uilen worden gezien en gegeten.
Wie of wat zorgt hier voor selectiedruk?
A
predator
B
bodemsamenstelling
C
vachtkleur
D
seksuele voorkeuren

Slide 9 - Quiz

Een fenotype dat de overlevingskans van een organisme verbetert in een bepaalde omgeving noemen we een ...
A
selectie
B
adaptatie
C
soortvorming
D
uitsterving

Slide 10 - Quiz

Natuurlijke selectie wordt het beste omschreven als:
A
een verandering in een organisme als gevolg van een bepaalde noodzaak
B
een proces van een nagenoeg continue verbetering, leidend tot een perfect organisme
C
verschillen in overlevingskansen als gevolg van een verschil in genetische eigenschappen.
D
overerving van eigenschappen die gedurende het leven zijn verkregen.

Slide 11 - Quiz

Wat veroorzaakt allopatrische soortvorming?
A
Klimaatverandering
B
Voedselbeschikbaarheid
C
Fysieke barrières zoals bergen
D
Ecologische competitie

Slide 12 - Quiz