Thema 3 Taalcompleet A2

Woordenschat 3.3
1 / 142
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 142 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Woordenschat 3.3

Slide 1 - Slide


A
De man is boos op de tijger.
B
De man is bang voor de tijger.

Slide 2 - Quiz

De jongen is erg slim. Hij haalt op school hoge ...
A
scores
B
getallen
C
cijfers
D
nummers

Slide 3 - Quiz

Wiskunde is een moeilijk ...
A
vaak
B
vak

Slide 4 - Quiz

December is voor koks een drukke ...
A
werk
B
afspraak
C
periode
D
contact

Slide 5 - Quiz

Mijn zoontje heeft koorts. Ik...
A
maak me zorgen over hem.
B
ik ben bang voor hem.

Slide 6 - Quiz

Het wordt slecht weer .... het weerbericht.
A
volgen
B
volgend
C
volgens
D
gevolgd

Slide 7 - Quiz

Ik ga mijn plannen met Ahmed ...
A
bespreken
B
afspreken
C
spreken
D
praten

Slide 8 - Quiz

De cursisten zitten in ...
A
het lokaal
B
de klas
C
het klaslokaal
D
de lokaalklas

Slide 9 - Quiz

3.4: ...om brood te kopen.
Je kan zinnen maken met "om...te + infinitief"

Slide 10 - Slide

3.4 ...om te...
Na om .... te schrijf je het hele werkwoord. Het hele werkwoord staat op de laatste plaats.
Anne gaat naar school om te leren.
Ik ga naar de bakker om brood te kopen.

Stelt iemand een vraag met waarvoor? Dan kun je antwoord geven met om ... te.
Waarvoor ga je naar school?   Om Nederlands te leren.
Waarvoor gebruik je je pen? Om te schrijven.

Slide 11 - Slide

Ze gebruikt de computer...
(een mail sturen)

Slide 12 - Open question

Hij pakt een hamer...
(de kast maken)

Slide 13 - Open question

Ik ga naar de supermarkt...
(fruit kopen)

Slide 14 - Open question

Ik gebruik mijn telefoon...
(de docent mailen)

Slide 15 - Open question

Het consultatiebureau
1. Kijk naar de brief: we bespreken samen
2. Opdracht 41: Klassikaal
3. We bespreken de blauwe woorden
4: Opdrachten maken

Slide 16 - Slide


  • het onderzoek    
  • de onderzoeken

Slide 17 - Slide


  • meten                    
  • de lengte              
  • de hoofdomtrek

Slide 18 - Slide


  • wegen           
  • het gewicht 

Slide 19 - Slide


  • de prik                
  • de vaccinatie  

Slide 20 - Slide


  • de ontwikkeling            
  • hij/zij  ontwikkelt zich

Slide 21 - Slide

  • huilen                
  • ik huil                 
  • jij huilt               
  • hij/zij huilt       

Slide 22 - Slide


  • de lijst                              
  • de lijsten                         
  • de vragenlijst                

Slide 23 - Slide

Programma
  • Herhaling omdat-als
  • 3.5: Een uitnodiging van het consultatiebureau: oefeningen
  • 3.6: Ik maak schoon, de docent legt uit

Slide 24 - Slide

omdat en als
maak de zinnen af

Slide 25 - Slide

Ik vind school leuk, omdat....
A
ik leer daar Nederlands spreken
B
ik daar Nederlands leer spreken

Slide 26 - Quiz

Ik ga naar de kapper als ...
A
mijn haar is lang
B
lang is mijn haar
C
mijn haar lang is
D
mijn haar lang zijn

Slide 27 - Quiz

Ik ga morgen niet naar school, omdat......

Slide 28 - Open question

Ik ga naar de supermarkt als........

Slide 29 - Open question

Amira is heel moe, omdat.....................

Slide 30 - Open question

3.5: Een uitnodiging van het CB
Je leert informatie halen uit een brief/uitnodiging.
Je kan vertellen wat een CB doet.

Slide 31 - Slide

Opdrachten maken:
Maak zelf:
- 43, 44, 45, 47, 48, 49, 50. 
Samen/ Klassikaal:
46
Praat samen:
---

Slide 32 - Slide

3.6: Ik maak schoon...
Je leert scheidbare werkwoorden gebruiken

Slide 33 - Slide

Wat is een scheidbaar werkwoord?
Het is een werkwoord dat bestaat uit twee delen die ik kan scheiden: een werkwoord en een ander woord

schoon + maken = schoonmaken
aan + komen = aankomen
na + denken = nadenken

Slide 34 - Slide

Hoe gebruik ik een scheidbaar werkwoord?

Je schrijft eerst het werkwoord. Het andere woord staat op de laatste plaats in de zin.

Ik maak de keuken schoon
De trein komt om 10:00 uur aan
Wij denken eerst na

Slide 35 - Slide

Twee werkwoorden
Staan er twee werkwoorden in de zin? Dan schrijf je het scheidbare werkwoord als één woord. Het scheidbare werkwoord staat op de laatste plaats in de zin. 



Slide 36 - Slide

Wat is het hele werkwoord?
De docent legt de opdracht uit.

Slide 37 - Open question

Wat is het hele werkwoord?
Ik maak de tafel schoon.

Slide 38 - Open question

Wat is het hele werkwoord?
Ik schrijf de woorden op.

Slide 39 - Open question

Schrijf de goede vorm van het werkwoord.
(ophangen)
De juf ___ haar jas ___.

Slide 40 - Open question

Schrijf de goede vorm van het werkwoord.
(uitleggen)
Ik ___ de som ___ .

Slide 41 - Open question

Schrijf de goede vorm van het werkwoord.
(oplossen)
Hoe moet ik dit probleem........?

Slide 42 - Open question

Schrijf de goede vorm van het werkwoord.
(doorgaan)
De wedstrijd moet........ .

Slide 43 - Open question

Opdrachten
Maak de opdrachten in je boek/
Maak de extra opdrachten

Slide 44 - Slide

Programma
- Herhalen: Hij zegt dat..., hij vraagt of...
- 3.9: Een uitje organiseren
- 3.10: woorden met ng/nk 

Slide 45 - Slide

Maak de zin af en gebruik:
           
Hij zegt dat                                                                                  Hij vraagt of
                                                                                                                 

Slide 46 - Slide

3.9 Een uitje organiseren
  • opdr. 75  bespreek
  • 76 Luister naar de lekst
  • Blauwe woorden
  • opdr. 76 Luister naar de lekst
  • opdr. 77+78 Luister opnieuw  naar de  tekst              

Slide 47 - Slide

  • organiseren          
  • plannen                  
  • ik organiseer        
  • jij organiseert       

Slide 48 - Slide


  • de groep       
  • de groepen  

Slide 49 - Slide


  • het uitje               
  • het groepsuitje
  • het dagje uit      

Slide 50 - Slide

  • het voorstel               
  • de voorstellen          
  • ik heb een voorstel

Slide 51 - Slide


  • varen               
  • ik vaar              
  • jij vaart            

Slide 52 - Slide


  • de mening             
  • je mening geven 
  • ik vind dat ...          

Slide 53 - Slide


  • saai                        

Slide 54 - Slide

  • de leerling 
  • de leerlingen

Slide 55 - Slide


  • bedenken        
  • ik bedenk         
  • jij bedenkt       

Slide 56 - Slide


  • het thema         
  • het thema van het feest
  • het thema van mijn spreekbeurt

Slide 57 - Slide



  • de oorlog                 
  • WW II = 2e wereld-oorlog

Slide 58 - Slide



  • afspreken        
  • afgesproken! 
  • zullen we afspreken ..

Slide 59 - Slide


  • het plan                

Slide 60 - Slide

Opdrachten
Maak zelf:80, 81, 84, 85

Maak samen: 82, 83

Praat samen: 86

Slide 61 - Slide

Programma
- Vraag en antwoord: maak goede zinnen
- 3.9: Spreekopdracht
- 3.10: woorden met ng/nk 
- 3.11: Een nieuwsbrief

Slide 62 - Slide

Geef een
goed
antwoord

Slide 63 - Slide

3.9: Een uitje organiseren
Spreken: Geef je mening

Slide 64 - Slide

TaalCompleet A2 les 3.10
Woorden met ng of nk
Na deze les weet je hoe je woorden met een ng of nk klank moet zeggen en schrijven. 

Slide 65 - Slide

Regels
Je ziet: ng. Je zegt één klank. 
- Gang - Ring - Brengen - Jongen - Dingen - Belangrijk

Je ziet: nk. Je zegt twee klanken: ng en k.
- Bank - Links - Bedankt - Donker - Denken - Klinker

We maken de opdrachten samen in het boek

Slide 66 - Slide

3.11: Een nieuwsbrief
* Je kan brieven van school begrijpen over: sportdag, excursie, schoolreisje, ouderavond.
* Je kan een korte notitie in een agenda schrijven.
* Je kan belangrijke informatie in brochures begrijpen

Slide 67 - Slide

Een nieuwsbrief:
We bekijken en bespreken de tekst
We bespreken de nieuwe/ blauwe woorden
We maken opdracht 94

Maak zelf: 95, 96, 97, 100, 101
We maken samen: 98*, 99

Slide 68 - Slide

Nieuwe woorden:
             voorbij                                 het spelletje
             genoten                              het bos
             de reis                                  voorbereiden
             de juf                                    het personeel
             de website                         veranderen
             de cultuur                           de meester
             het resultaat                      in plaats van

Slide 69 - Slide

98. Schrijf het meervoud
2. de meester

Slide 70 - Open question

98. Schrijf het meervoud
3. het bos

Slide 71 - Open question

98. Schrijf het meervoud
4. de cultuur

Slide 72 - Open question

98. Schrijf het meervoud
5. de reis

Slide 73 - Open question

98. Schrijf het meervoud
6. de juf

Slide 74 - Open question

98. Schrijf het meervoud
7. het spelletje

Slide 75 - Open question

98. Schrijf het meervoud
8. het resultaat

Slide 76 - Open question

Slot:
Maak opdracht 102 achter in je boek

Slide 77 - Slide

omdat en als
maak de zinnen af

Slide 78 - Slide

Ik ga morgen niet naar school, omdat...

Slide 79 - Open question

Ik ga naar de markt, als...

Slide 80 - Open question

Amira blijft thuis, want.....................

Slide 81 - Open question

3.7: Berichten voor docenten
- Lees de tekst zelf in stilte
- Onderstreep de nieuwe woorden
- We bespreken de teksten en de nieuwe woorden
timer
10:00

Slide 82 - Slide

Opdrachten maken
Maak zelf:
60, 61, 62, 64, 65, 66, 67

Maak samen:
63, 68
timer
15:00

Slide 83 - Slide

3.8: Hij zegt dat, hij vraagt of...

Slide 84 - Slide

Toms droom

Tom kan heel goed voetballen. Zijn vriend zegt dat hij de beste van hun team is. Hij denkt dat Tom na de zomervakantie in het eerste team gaat spelen.  
De voetbaltrainer vraagt Tom of hij later een profvoetballer wil worden.

Slide 85 - Slide

Wat zie je ? Let op de werkwoorden
  • Zijn vriend zegt dat      hij de beste van hun team is.
  • Hij denkt dat      Tom in het eerste team gaat spelen.
  • De trainer vraagt of      Tom een profvoetballer wil worden.

Waar staan de werkwoorden
Waar staat de wie/wat?

Slide 86 - Slide

Waar staan de werkwoorden?
Zijn vriend zegt dat     hij   de beste van hun team   is.
Hij denkt dat     Tom   in het eerste team   gaat spelen.
De trainer vraagt of    Tom  een profvoetballer wil worden

Dus... waar staan de werkwoorden na   - hij zegt dat ....
                                                                                 - hij denkt dat ....
        op de laatste plaats!                              - hij vraagt of ....

Slide 87 - Slide

Goed of fout:
Hij vraagt of ik autoverkoper wil worden
A
Goed
B
Fout

Slide 88 - Quiz

Goed of fout:
Hij zegt of hij zijn fietsband zelf heeft geplakt.
A
Goed
B
Fout

Slide 89 - Quiz

Gaan we nu iets anders doen?
Hij vraagt of .....
A
iets anders gaan we nu doen
B
gaan we nu iets anders doen
C
we nu iets anders gaan doen
D
nu gaan we iets anders doen

Slide 90 - Quiz

Gaan we nu iets anders doen?
Hij vraagt of....

Hij vraagt of we nu iets anders gaan doen.

Slide 91 - Slide

Programma
- Woorddictee
- 3.14: Het kinderdagverblijf
- Herhaling thema 3

Slide 92 - Slide

3.14: Het kinderdagverblijf
Je kan na deze les informatie op een website lezen en begrijpen.

Slide 93 - Slide

113. Bespreek samen
1. Wie zorgt er in jouw land voor de kinderen, als de ouders werken?
2. En wie zorgt er in Nederland meestal voor de kinderen, als de ouders werken?

Slide 94 - Slide

Opdracht 114:
  • Lees de opdracht
  • Kies het juiste antwoord
  • !! Lees niet de hele tekst, alleen de titels

    We bekijken hierna samen de nieuwe blauwe woorden.

Slide 95 - Slide

Maak de opdrachten
Zelf:
115, 116, 117, 118, 120, 121

Samen:
119, 122

Slide 96 - Slide

Thema 3 : Herhaling

Slide 97 - Slide

omdat en als
maak de zinnen af

Slide 98 - Slide

Welke zin is goed?

Ik ga naar de dokter, want ..
A
.. ik ziek ben
B
.. ik ben ziek.
C
.. ik ziek zijn.

Slide 99 - Quiz

Welke zin is goed?

Ik ga naar bed, als ...
A
.. het is 22.00 uur.
B
.. het 22.00 uur is.
C
.. 22.00 uur het is.

Slide 100 - Quiz

Welke zin is goed?

Ik houd van de zon, omdat ....
A
.. het is lekker warm.
B
.. lekker warm het is.
C
.. het lekker warm is.

Slide 101 - Quiz

Ik koop een nieuwe jas omdat......

Slide 102 - Open question

Ik ga naar bed, als........

Slide 103 - Open question

Anne is heel blij omdat.....................

Slide 104 - Open question

Maak zinnen met 'om........te.....'
Geef antwoord op de vraag

Slide 105 - Slide

Waarvoor gebruik je een lepel?

Slide 106 - Open question

Waarvoor ga je naar de bakker?

Slide 107 - Open question

Waarvoor gebruik je je mobiel?

Slide 108 - Open question

scheidbare werkwoorden

Slide 109 - Slide

Welke zin is goed?

schoonmaken
A
Ik schoon de keuken maak.
B
Ik schoonmaak de keuken.
C
Ik maak de keuken schoon.
D
Ik maak schoon de keuken.

Slide 110 - Quiz

Welke zin is goed?

meenemen
A
De man neemt de tas mee.
B
De man nemen de tas mee.
C
De man meeneemt de tas.
D
De man de tas meenemen.

Slide 111 - Quiz

Welke zin is goed?

willen + opendoen
A
Het kind wil opendoen de deur.
B
Het kind wil de deur opendoen.
C
Het kind wil opendoet de deur.
D
Het kind wil doen de deur open.

Slide 112 - Quiz

Welke zin is goed?

moeten + schoonmaken
A
Je moet de keuken goed schoonmaakt.
B
Je moet goed schoon-maken de keuken.
C
Je moet maken de keuken goed schoon.
D
Je moet de keuken goed schoonmaken.

Slide 113 - Quiz

Maak een zin met deze werkwoorden

Slide 114 - Slide

Hij vraagt of / hij denkt dat

Slide 115 - Slide

Ahmed is niet op school. Ik denk dat.....
A
hij is ziek.
B
hij ziek is.

Slide 116 - Quiz

Ella heeft honger. Ze vraagt haar moeder of......
A
zij een boterham mag.
B
zij mag een boterham.

Slide 117 - Quiz

Goed of fout:
Hij zegt of hij zijn fietsband zelf heeft geplakt.
A
Goed
B
Fout

Slide 118 - Quiz

Gaan we nu iets anders doen?
Hij vraagt of .....
A
we doen nu iets anders gaan
B
we gaan we nu iets anders doen
C
we nu iets anders gaan doen
D
nu gaan we iets anders doen

Slide 119 - Quiz

wat is het meervoud?

Slide 120 - Slide

de baby
A
twee babies
B
twee babys
C
twee baby's
D
twee babyen

Slide 121 - Quiz

de spiegel
A
twee spiegelen
B
twee spiegels

Slide 122 - Quiz

het resultaat
A
de resultaaten
B
de resultaten
C
de resultaats
D
de results

Slide 123 - Quiz

de druif
A
twee druifen
B
twee druifs
C
twee druiffen
D
twee druiven

Slide 124 - Quiz

de dame
A
twee dames
B
twee damen
C
twee dame's
D
twee damens

Slide 125 - Quiz

welk woord hoort in de zin?

Slide 126 - Slide

Het is goed voor je ................. om veel groente en fruit te eten.
A
prik
B
gezondheid
C
ontwikkeling
D
reactie

Slide 127 - Quiz

Uw baby heeft een afspraak op het consultatiebureau.
Komt u 5 minuten ...............? Dan kunnen we de baby eerst wegen.
A
vroeg
B
verzetten
C
van tevoren
D
meten

Slide 128 - Quiz

Abdi moet morgen naar het ziekenhuis. Hij wordt dan aan zijn been .......................
A
geopereerd
B
gebroken
C
verwacht
D
verloren

Slide 129 - Quiz

Ik ben mijn trui kwijt. Heb jij hem gezien? Hij is blauw en van het .......... Adidas.
A
hart
B
merk
C
melden
D
regel

Slide 130 - Quiz

Mara heeft gebeld. Wil jij haar .................
A
opnemen
B
terugbellen

Slide 131 - Quiz

Anja heeft een grote zaal .............. voor het feest.
A
geregeld
B
gemeld

Slide 132 - Quiz

Maak zelf een zin met de woorden

Slide 133 - Slide

Dictoglos

Slide 134 - Slide

Dit oefen je:

- Luisteren:
o Luisteren naar een tekst
o Belangrijke informatie onthouden en opschrijven
o Luisteren naar elkaar

- Spreken:
o Vertellen
o Mening geven
o Beslissen
o Luisteren naar elkaar
o Elkaar helpen bij fouten


- Schrijven:
o Zinnen maken
o Goed kijken naar de spelling
o Goed kijken naar de volgorde van woorden
o Goed kijken naar de werkwoorden
o Goed kijken naar de betekenis van de zinnen
o Een goed en juist verhaal schrijven

Slide 135 - Slide

Dictoglos: werkwijze
  • Dictoglos heeft vijf stappen:
  • luisteren.
  • luisteren en schrijven
  • Samen praten over de tekst
  • De tekst opnieuw schrijven 
  • Voorlezen en verbeteren

Slide 136 - Slide

Nieuwe woorden
Felix: naam van een jongen
Tak: een boom heeft takken met bladeren eraan
Bloed: als je je vinger snijdt, dan heb je bloed aan je vinger
Scheef: krom, niet recht
Spaak: de metalen aan een wiel

Slide 137 - Slide

Stap 1
De docent leest het verhaal 
luister goed

Slide 138 - Slide

Stap 2
LUISTER goed en SCHRIJF belangrijke woorden, informatie die je niet wil vergeten

Je krijgt nog 1 minuut om alles te schrijven wat je nog weet. ZELF NADENKEN EN SCHRIJVEN.
timer
1:00

Slide 139 - Slide

Stap 3: praten/bespreken
BESPREEK in jouw groepje wat je nog weet over de tekst en welke informatie je hebt geschreven. Alleen praten met elkaar, nu niks schrijven!
timer
8:00

Slide 140 - Slide

Stap 4
HERSCHRIJF de tekst

  1. Kies 1 persoon in je groep die zal schrijven
  2. Bespreek samen hoe de tekst was en maak de tekst opnieuw
  3. Bespreek samen de grammatica van de zinnen: hebben we de zinnen goed geschreven? Staan de werkwoorden op de juiste plaats en in de juiste vorm?
  4. Lees de tekst nog een keer voor aan je groepje en verbeter of vul aan

Slide 141 - Slide

Stap 5
LEES je tekst voor:
- Elke groep leest zijn tekst voor
- We vergelijken met de tekst van de docent
- We bespreken de oefening na (wat vind je van de teksten?)

Slide 142 - Slide