Sportschool
In de sportschool
informatie vragen
zullen - waarschijnlijkheid
futurem
uitspraak oe - u - uu
inschrijven
speciaal
conditie
waarschijnlijk
meedoen
gewicht
Opdracht 1
Welke sport zie je? Sleep naar het plaatje.
judo
schoon-springen
gewicht-heffen
honkbal
waterpolo
korfbal
boog-schieten
turnen
boksen
wielrennen
schermen
voetbal
judo
schoon-springen
gewicht-heffen
honkbal
waterpolo
korfbal
boog-schieten
turnen
boksen
wielrennen
schermen
voetbal
Wat hoort bij welk plaatje? Sleep het woord naar het plaatje.
Plaatje 2 heeft 2 goede antwoorden.
Johan Cruijff
Steven Berghuis
Ruud Gullit
honkbal
Arjen Robbe
korfbal
boog-schieten
turnen
Virgil van Dijk
wielrennen
schermen
voetbal
Opdracht 2
Praten over sporten.
Welke plaatjes en sporten horen bij elkaar?
Zoek bij vijf plaatjes de naam van de sport.
Voorbeeld: plaatje 4 en plaatje 8 horen bij elkaar. Het zijn allebei balsporten.
Extra opdracht: hoe heten deze sporten?
sprinten
roeien
badminton
honkbal
handbal
boksen
wielrennen
paardrijden
schermen
voetballen
turnen
gewichtheffen
basketbal / korfbal
vechtsport / judo
vechtsport / ?
schietsport
boogschieten
hardlopen
zeilen
volleybal
zwemmen
tennis
tafeltennis
Opdracht 3
Sporten raden
Je krijgt een memosticker op je rug.
Op die sticker staat een sport.
Welke sport? Dat moet je raden.
Iedereen loopt door het lokaal.
Je mag maximaal twee vragen aan dezelfde cursist stellen.
Deze cursist mag ook twee vragen aan jou stellen.
Daarna loop je naar iemand anders, totdat je jouw sport hebt geraden.
De ander mag alleen met ja of nee antwoorden.
Je moet dus ja/nee-vragen stellen.
Voorbeeld:
Is het een populaire sport?
Is het een teamsport?
Is het binnen?
Gebruik je een bal?
Is deze sport vaak op tv?
Is het een vechtsport?
Is het een sport in of op het water?
Gebruik je een apparaat?
Opdracht 4
Formuleer de vraag op een andere manier.
Voorbeeld:
Waar is de sportschool?
Kunt u me zeggen || waar de sportschool is?
Kunt u me vertellen || wat het verschil tussen die abonnementen is?
Weet u || waar de sportschool is?
Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding.
Gebruik de gegeven woorden.
Reflexieve werkwoorden herhaling
Opdracht 5
Gebruik:
Kun je me (misschien) zeggen ....?
Weet je (misschien) (ook?)
kopieerblad 26
Zeggen dat, vragen of | indirecte rede
Soms vertel je wat iemand vraagt of zegt. Deze informatie komt na de woordjes of en dat.
Koen vraagt of Sanne ook op het feest komt.`
Opdracht 6 Een sportschool kiezen
A:
Cursist A: Vraag aan cursist B de informatie die jij nodig hebt. Schrijf deze in jouw schema.
Cursist B: Vraag aan cursist A de informatie die jij nodig hebt. Schrijf deze in jouw schema. Gebruik: Kun je me zeggen? / Weet je ?
B: beantwoord de vragen.
C: Welke sportschool kies jij? Waarom?
kopieerblad 27
zullen
opdracht 7
Zal ik spaghetti carbonara maken?
Ik zal spaghetti carbonara maken
Ze zal wel spaghetti carbonara gemaakt hebben.
Voorstel
Belofte
Waarschijnlijkheid
zullen - waarschijnlijkheid
één werkwoord
Ze komt nog. →
Ze zal nog wel komen.
twee werkwoorden
Ze kan het adres wel vinden. →
Ze zal het adres wel kunnen vinden.
perfectum
Ze heeft te veel gegeten. →
Ze zal wel te veel gegeten hebben.
Voorstel
Zal ik spaghetti carbonara maken?
Belofte
Ik zal spaghetti carbonara maken
Waarschijnlijkheid
Ze zal wel spaghetti carbonara gemaakt hebben.
1. presens + tijdsaanduiding (standaard)
Je vertelt over een tijd die nog moet komen.
2. werkwoord gaan + infinitief
3. werkwoord zullen + infinitief
Je vertelt over een plan of een intentie.
Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.
Komende zondag werk ik van 10.30 uur tot 14.00 uur.
Volgende week trouwt mijn broer.
In augustus word ik 50.
Wat doe jij...
morgen?
volgende week?
na de feestdagen?
1. presens + tijdsaanduiding (standaard)
Je vertelt over een tijd die nog moet komen.
2. werkwoord gaan + infinitief
Mark gaat biologie studeren.
Mijn broer gaat trouwen.
Ik ga mijn 60ste verjaardag vieren.
Je vertelt over een plan of een intentie.
Wat doe jij...
morgen?
volgende week?
na de feestdagen?
3. werkwoord zullen + infinitief
De voorstelling zal om acht uur precies beginnen.
Volgend jaar zal mijn broer trouwen.
Ik zal mijn verjaardag vieren.
Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.
Wat doe jij...
morgen?
volgende week?
na de feestdagen?
Komende zondag werk ik van 10.30 uur tot 14.00 uur.
1. presens + tijdsaanduiding (standaard)
Je vertelt over een tijd die nog moet komen.
2. werkwoord gaan + infinitief
Mijn broer gaat trouwen.
3. werkwoord zullen + infinitief
De voorstelling zal om acht uur precies beginnen.
Je vertelt over een plan of een intentie.
Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.
Opdracht 8
13.00 uur lunchen met Jack en Hanna
14.00 uur studeren met bibliotheek
16.00 uur boodschappen doen
13.30 koken voor Sabine en Karin
Maak opdracht 10 en 11
Dialoog met verplichte zinnen. Luister goed!
Medewerker sportschool
• Hallo, wat kan ik voor u doen?
• Wat voor abonnement wil je?
• Een maandabonnement kun je opzeggen.
• We hebben op dit moment een speciale aanbieding.
• Op onze website vind je een rooster met alle groepslessen.
Je moet meer zinnen gebruiken.
Nieuwe klant
• Ik wil graag lid worden. Kan dat?
• Wat is het verschil tussen de abonnementen?
• Ik wil graag een ……. abonnement.
• Ik wil graag krachttraining doen en groepslessen volgen.
• Waar kan ik me omkleden?
• Wanneer kan ik beginnen?
Samengestelde woorden