les 28/2 verwijswoorden (2) en variatie in woordgebruik

Aan het eind van deze week:
- weet je hoe je verwijswoorden op de juiste manier moet gebruiken
- weet je hoe je variatie in woordgebruik aanbrengt
- weet je wat vergelijkingen zijn (beeldspraak) 

Wat weet je nog van vergelijkingen? 
1 / 10
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 2

This lesson contains 10 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Aan het eind van deze week:
- weet je hoe je verwijswoorden op de juiste manier moet gebruiken
- weet je hoe je variatie in woordgebruik aanbrengt
- weet je wat vergelijkingen zijn (beeldspraak) 

Wat weet je nog van vergelijkingen? 

Slide 1 - Slide

Beeldspraak: Metafoor en vergelijking
Je hebt geleerd dat je bij een vergelijking 2 dingen naast elkaar zet die op elkaar lijken: Het object (o) en het beeld (b). 
  • Van veraf is die rots (o) net een olifant (b). 
  • Haar kamer rook als een zwijnenstal!

Bij een metafoor vallen object en beeld samen. Je vervangt het object helemaal door het beeld. Een ding is een ander ding.
  • Zullen we die olifant eens beklimmen? 
  • Voetbal is oorlog!
  • Haar kamer was een zwijnenstal.
Bij een metafoor heb je als lezer de vrijheid om andere eigenschappen invullen, bijvoorbeeld dat het in haar kamer een rotzooi was.


Slide 2 - Slide

Beeldspraak: Metafoor en personificatie
Een metafoor is een vorm van beeldspraak: je gebruikt een woord of beeld voor iets anders, waarmee het een overeenkomst vertoont. Zo is "het schip der woestijn" een metafoor voor een kameel: de kameel wordt vergeleken met een schip.

Metaforen komen vaak voor als spreekwoord. 
  • Als het kalf verdronken is, dempt men de put
Pas nadat er iets fout is gegaan, neemt men maatregelen. 
  • Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken.
Je mag niet klagen over de kwaliteit van iets dat je hebt gekregen

Slide 3 - Slide

Beeldspraak: Metafoor en personificatie
Bij personificatie geef je een voorwerp, plant, dier of abstract begrip (liefde/verdriet) menselijke eigenschappen.

  • De zon doet zijn best om tevoorschijn te komen
  • De toekomst lacht me tegemoet

Slide 4 - Slide

Bespreken
  • Bespreken: blz. 221 opdracht 4

Slide 5 - Slide

Variatie in woordgebruik
In het weekend werkt Daphne in het asiel. Daphne zorgt in het asiel voor de hondjes. Omdat er altijd veel hondjes in het asiel zitten, heeft Daphne haar handen er vol aan. De hondjes worden opgevangen in het asiel, omdat de hondjes in de steek gelaten zijn. De hondjes wachten met smart op een nieuw baasje. Daphne hoopt dat de hondjes allemaal goed terechtkomen.


Slide 6 - Slide

Variatie in woordgebruik
In het weekend werkt de zestienjarige Daphne in het asiel. Zij zorgt daar voor de hondjes. Omdat er altijd veel van die beestjes in de dierenopvang zitten, heeft ze haar handen er vol aan. De viervoeters worden er opgevangen, omdat ze in de steek gelaten zijn. Daphne zorgt voor de dieren. Die wachten met smart op een nieuw baasje. ‘Ik hoop maar dat ze allemaal goed terechtkomen’, zegt de jonge verzorgster.


Slide 7 - Slide

Variatie in woordgebruik
  • Gebruik synoniemen
woorden met dezelfde betekenis: asiel – dierenopvang

  • Gebruik woorden die ongeveer hetzelfde betekenen: hondjes – viervoeters – beestjes
  • Gebruik verwijswoorden, zoals die, dat, hij, hem, het, zij, ze , haar, hen, hun, er, daar


Slide 8 - Slide

Maken
Bladzijde 222: opdracht 1

Klaar? Bladzijde 264: woordzoeker!

Slide 9 - Slide

Weet je nu:
- wat de trappen van vergelijking zijn? 
- hoe je op de juiste manier moet verwijzen naar personen en bezit? 
- hoe je variatie in woordgebruik aanbrengt? 

Huiswerk
Formuleren §3 verwijswoorden (2) 
Opdracht 1, 2, 3, 4

Slide 10 - Slide