2 De keuzevoorzetsels

Guten Morgen
1 / 35
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3,4

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Guten Morgen

Slide 1 - Slide

DOEL: Je kent de keuzevoorzetsels en je weet wanneer ze zorgen voor de derde en de vierde naamval.


Planning:
Uitleg
Samen oefenen
huiswerk


Slide 2 - Slide

Herhaling: Welke voorzetsel is met welke naamval?
3e naamval
4e naamval
aus
bei
mit
nach
seit
von
zu
durch
für
gegen
ohne
um

Slide 3 - Drag question

S. 12/ A Keuzevoorsetsels

Les die Grammatik durch!

Slide 4 - Slide

Wechselpräpositionen zijn keuzevoorzetsels. Hiernaast zie je de 9 voorzetsels waar het om gaat. 
 De 9 keuzevoorzetsels zijn: 
        an:                    aan
        auf:                  op
        hinter:            achter
        in:                     in
        neben:           naast
        über:               boven / over
        unter:             onder
        vor:                  voor
        zwischen:    tussen

Slide 5 - Slide

Je moet volgende vragen stellen: 

* Is het een situatie? > RUST
                .... dan 3e naamval
  b.v.   Der Hund schwimmt in dem Teich (m).
 
* Is het een verandering van situatie?  > Beweging/ Richting
                 ... dan  4e naamval
  b.v.   Der Hund springt in den Teich (m).

   (der Teich = de vijver)

Slide 6 - Slide


De 7/2 regel
Soms kun je niet vragen of het een (verandering van) situatie is:  
Dan gaat bij deze voorzetsels de 7/2 regel in. Dat houdt in 
dat auf en über dan een 4e naamval krijgen, 
de overige 7 voorzetsels een 3e naamval .

 b.v. In diesem Fall (m) mit einem Dativ und
         auf jeden Fall mit einem Akkusativ.

Slide 7 - Slide


De 7/2 regel
Een voorbeeld
Er redet über mein..... Freundin.
   (Hij praat over mijn vriendin.)
Ich warte  auf d....... Bus. 
   (Ik wacht op de bus.)
Hier kun je niet vragen of het een situatie of een verandering van situatie is
Dus de 4e naamval. 
Er redet über meine Freundin.
Er wartet auf den Bus. 


Slide 8 - Slide


De 7/2 regel
Nog een voorbeeld
Der  Unterschied zwischen deinem  und meinem Hund (m) ist nicht groß.
      (Het verschil tussen jouw hond en mijn                  hond is niet zo groot.)
Das liegt nur an der Liebe (v). 
       (Het ligt aleen aan de liefde.)
Ook hier kun je niet vragen of het een situatie of een verandering van situatie is
Dus de 3e naamval. 
    net als bij: hinter, in, neben, unter, vor


Slide 9 - Slide

Keuzevoorzetsels:
Welke vraag kun je stellen voor de 3e naamval?

Slide 10 - Open question

Keuzevoorzetsels:
Welke vraag kun je stellen voor de 4e naamval?

Slide 11 - Open question

Welke naamval krijg je als je GEEN antwoord kunt geven op de vraag of het een (verandering van) situatie is?

Slide 12 - Open question

Welcher Satz ist richtig geschrieben? Sleep de zin.
Dieser Satz ist richtig.
Dieser Satz ist leider falsch.
Der Ball rollt unter das Auto (o).
Die Kreditkarte liegt in das Hotelzimmer (o).
Ich wohne über dem Geschäft (o).
Ich lege die Zeitung auf dem Tisch (m).
Die Zeitung liegt noch auf dem Tisch (m).

Slide 13 - Drag question

Vul in.
Das Auto steht vor d...…. Garage(v).

Slide 14 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De auto staat vor d.... garage.
vor (voor) = keuzevoorzetsel
voor de garage staan geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) vrouwelijk.

Antwoord: Das Auto steht vor der Garage.

Slide 15 - Slide

Vul in.
Das Heft fällt auf d...…...Boden(m).

Slide 16 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het schrift valt op de grond.
op = keuzevoorzetsel
op de grond vallen geeft een verandering van situatie aan:
Dus Akkustiv (4e nv) mannelijk.

Antwoord: Das Heft fällt auf den Boden.


Slide 17 - Slide

Das Buch liegt auf d... Tisch(m).
A
dem
B
den
C
der
D
das

Slide 18 - Quiz

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het boek ligt op de tafel.
op = keuzevoorzetsel
op de tafel liggen geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) mannelijk.

Antwoord: Das Buch liegt auf dem Tisch.

Slide 19 - Slide

Das Bild hängt an d.... Wand(v).
A
die
B
den
C
dem
D
der

Slide 20 - Quiz

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De foto hangt aan de muur.
an (aan) = keuzevoorzetsel
aan de muur hangen geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) vrouwelijk.

Antwoord: Das Bild hängt an der Wand.

Slide 21 - Slide

Vul in.
Ich lege deinen Schlüssel auf d... Tisch(m).

Slide 22 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik leg jouw sleutel op de tafel.
auf (op) = keuzevoorzetsel
op de tafel leggen geeft een verandering van situatie aan:
Dus Akkustiv (4e nv) mannelijk.

Antwoord: Ich lege deinen Schlüssel auf den Tisch.


Slide 23 - Slide

Vul in.
Stehst du immer so lange vor d.... Spiegel (m)?

Slide 24 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Sta jij altijd zo lang voor de spiegel?
vor (voor) = keuzevoorzetsel
voor de spiegel staan geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) mannelijk.

Antwoord: Stehst du immer so lange vor dem Spiegel?

Slide 25 - Slide

Vul in.
Ich warte (voor de) Apotheke (v).

Slide 26 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik wacht voor de apotheek.
vor (voor) = keuzevoorzetsel
voor de apotheek wachten geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) vrouwelijk.

Antwoord: Ich warte vor der Apotheke (v).


Slide 27 - Slide

Vul in.
Mein Opa setzt sich (op de) Bank (v) im Park.

Slide 28 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Mijn opa gaat op de bank in het park zitten.
auf (op) = keuzevoorzetsel
op de bank gaan zitten is een verandering van situatie:
Dus Akkustiv (4e nv) vrouwelijk.

Antwoord: Mein Opa setzt sich auf die Bank (v) im Park.


Slide 29 - Slide

Vul in.
Ich habe Angst (voor deze) Spinnen (mv).

Slide 30 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik ben bang voor deze spinnen
vor (voor) = keuzevoorzetsel
bang zijn voor is GEEN (verandering van) situatie:
Dus 7/2-regel 
vor hoort bij de 7 voorzetsels: 3e nv, meervoud
Antwoord: Ich habe Angst vor diesen Spinnen(mv).


Slide 31 - Slide

Vul in.
Ich freue mich (op jullie) Besuch(m).

Slide 32 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik verheug me op jullie bezoek.
auf (op) = keuzevoorzetsel
sich freuen auf is GEEN (verandering van) situatie:
Dus 7/2-regel
auf hoort bij de 2 voorzetsels: 4e nv, mannelijk
Antwoord: Ich freue mich auf euren Besuch.


Slide 33 - Slide

0

Slide 34 - Video

An die Arbeit!
Was? S. 12/ 8, 9, 10
Wie? Leise
Hilfe? Grammatik A, Nachbar, Lehrerin

                            Rest ist Hausaufgabe + Grammatik A lernen

Slide 35 - Slide