Lesweek 2: les 1

1 / 26
next
Slide 1: Slide
MarketingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
  • Je herhaalt de lesstof van vorige week.
  • Je benoemt de onderdelen van het communicatieproces.
  • Je past het AIDA-model toe.

Slide 2 - Slide

Van welke beweging in de bedrijfskolom is sprake als fabrikanten direct gaan leveren aan consumenten?
A
Integratie
B
Differentiatie
C
Parallellisatie
D
Specialisatie

Slide 3 - Quiz

Een fabrikant van parfum zal gebruik maken van:
A
Intensieve distributie
B
Selectieve distributie
C
Exclusieve distributie

Slide 4 - Quiz

Een fabrikant van kant-en klaarmaaltijden maakt gebruik van intensieve distributie.

Deze fabrikant levert aan…
A
alle specialiteitenzaken in een regio.
B
alle supermarkten in een regio.
C
enkele supermarkten in een regio.

Slide 5 - Quiz

Voor welke vorm van distributie zal de producent van Rolex horloges kiezen?
A
Intensieve distributie
B
Exclusieve distributie
C
Selectieve distributie

Slide 6 - Quiz

Op welke wijze zullen de onderstaande producten gedistribueerd worden?
Intensieve distributie
Selectieve distributie
Exclusieve distributie

Slide 7 - Drag question

Bij selectieve distributie levert een bedrijf aan…
A
alle supermarkten
B
de groothandel rechtstreeks
C
een dealernetwerk.

Slide 8 - Quiz

De bedrijfskolom van rijst is erg lang. Er word een schakel tussenuit gehaald. Hoe noem je dat?
A
Integratie
B
Differentiatie
C
Parallelisatie
D
Specialisatie

Slide 9 - Quiz

Wat is communicatie?

Het proces waarin een zender via een medium, met een bepaalde bedoeling, informatie (boodschap) doorgeeft aan een ontvanger die deze informatie verwerkt.

Slide 10 - Slide

ZBMO-model
  • Zender: iemand die een boodschap wil doorgeven
  • Boodschap: hetgeen dat je wilt overdragen (in woorden, beelden, geluid )
  • Medium: datgene waarmee je de boodschap overbrengt (tv radio, website, app, social media, krant, tijdschrift, reclame etc.)
  • Ontvanger: iemand die de boodschap wil ontvangen

Slide 11 - Slide

ZMBO-model
  • Feedback: ontvanger kan reageren (positief of negatief)
  • Terugkoppeling: de reactie van de zender op de feedback van de ontvanger.
  • Encoderen: een boodschap die je wilt overbrengen onder woorden brengen. 
  • Decoderen: het interpreteren van een ontvangen boodschap. 

Slide 12 - Slide

ZBMO-model

Slide 13 - Slide

Ruis
Verstoring van de boodschap waardoor deze niet overkomt.

Redenen?
  • Storend geluid op de achtergrond
  • Moeilijk onbegrijpelijk taalgebruik
  • Te veel gebruik maken van vaktaal (jargon) bij                           niet-professionals

Slide 14 - Slide

Externe ruis is een verstoring van het communicatieproces door factoren die te maken hebben met het communicatieproces zelf.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 15 - Quiz

Uit hoe veel elementen bestaat het communicatieproces?
A
5
B
6
C
7
D
8

Slide 16 - Quiz

Wat is het verschil tussen
encoderen en decoderen?

Slide 17 - Open question

Wat betekent de term 'encoderen'?
A
de boodschap vertalen in tekst die voor jou begrijpelijk is
B
zorgen dat je geconcentreerd bent op de boodschap
C
de boodschap vertalen voor iemand die de taal niet spreekt
D
de boodschap voor een ander omzetten in begrijpelijke taal

Slide 18 - Quiz

Ruis
Encoderen
Decoderen
Ontvanger
Zender
Boodschap
Medium
Feedback

Slide 19 - Drag question

Activerende tekst
  • In een activerende tekst zet je de lezer tot actie aan: je wilt dat de lezer iets gaat doen.
  • Als je een activerende tekst schrijft moet je:
  • de aandacht trekken
  • de lezer interesseren
  • de lezer hebberig maken
  • de lezer aanzetten iets te doen

Slide 20 - Slide

Presentatie <---> consument

Slide 21 - Slide

Reclame 
Reclamemakers gebruiken vaak het AIDA-model

AIDA-model: 
- Aandacht trekken
- Interesse wekken
- Drang (behoefte)
- Actie

Slide 22 - Slide

AIDA-model
Als je iets wilt promoten, moet je altijd rekening houden met het AIDA-model. AIDA is de afkorting van de Engelse woorden ‘Awareness’, ‘Interest’, ‘Desire’ en ‘Action’.

  1. Awareness betekent je ergens van bewust zijn. 
2. Interest betekent interesse. De interesse van de doelgroep moet gewekt worden. 
3. Desire betekent verlangen. Het gaat om het verlangen te kopen of deel te nemen.
4. Action betekent actie.  Dit is het daadwerkelijk overgaan tot koop of deelname.

Slide 23 - Slide

AIDA-model
  • A - attention/aandacht
    je trekt de aandacht --> kleur, plaatjes, kopregel, vormgeving
  • I - interest/interesse
    je prikkelt het interesse met aanbod en/of belofte
  • D - desire/behoeften
    inspelen op behoeften klant
  • A - action/actie
    aanzetten tot actie --> tijdelijke aanbieding, op = op
     

Slide 24 - Slide

Wat gebeurt er bij 'desire' van het AIDA-model?
A
De verkoper laat de klant zien hoe iets werkt
B
De klant raakt geïnteresseerd in het product
C
De klant ontwikkelt een verlangen naar het product
D
De klant koopt het product

Slide 25 - Quiz

Einde les!

Slide 26 - Slide