lesson plan

Lesplan: Weet jij wat de bank doet met jouw geld?

Ready to use this lesson plan? Use the button below to save a copy of this lesson plan in your account. After doing so, you will be able to modify the lessons as you wish.

Doelstellingen:
  • De leerlingen maken kennis met de werking van een bank.
  • De leerlingen weten waarin banken hun geld investeren en kunnen die informatie opzoeken.
  • De leerlingen vormen een mening over een duurzaam investeringsbeleid.
  • De leerlingen beseffen dat ze met hun eigen geld een impact kunnen hebben.
Materiaal: 
  • voldoende ruimte om een kring te vormen met stoelen
  • een balletje
  • een bord of flappen
  • dikke stiften
  • post-its
  • een computer of tablet met internetverbinding, per leerling of per duo
  • bijlage 1: woordkaartjes ‘Wat doet een bank?’
  • bijlage 2: voorbeeldschema ‘Wat doet een bank?’
  • bijlage 3: actua
  • bijlage 4: werkblad Routekaart
  • bijlage 5: voorbeeld Routekaart
Organisatie:
Klassikaal
Groepswerk

Duur:
2 lesuren

Voor je begint:
  • Print de bijlagen op voldoende exemplaren, afhankelijk van het aantal groepjes.
  • Voor je aan de les begint is het goed om je zelf even te verdiepen in de duurzaamheidsrangorde van banken, via www.bankwijzer.be.


Verloop:

PRIKKEL

Start de les met enkele prikkelende, laagdrempelige activiteiten om het ijs te breken en het thema ‘geld’ te introduceren.
 
1.1. Wat zou jij doen met 1000 euro?
Zet de stoelen in een kring en laat iedereen plaatsnemen. Voorzie een balletje. Dat stelt 1000 euro voor. Gooi het balletje naar een van de leerlingen en stel de vraag: ‘Wat zou jij doen met 1000 euro?’ Geef gerust zelf ook mee wat jij met dat geld zou aanvangen!
De activiteit opent het gesprek over geld en je krijgt als leerkracht meteen een idee van de groepsdynamiek en wat de groep belangrijk vindt.

1.2. Verontwaardigd!
De leerlingen lopen rond in de ruimte. Op jouw signaal zoekt iedereen een gesprekspartner. De leerlingen vertellen aan elkaar wanneer ze zich voor het laatst verontwaardigd voelden in hun eigen leven. De leerlingen bespreken kort in duo wat ze precies niet oké vonden. Laat daarna enkele leerlingen aan het woord om in de grote groep te delen wat er gezegd werd.
Herhaal dit een tweede keer, maar laat de leerlingen nu in gesprek gaan over hun verontwaardiging rond dingen die in de wereld gebeuren. De leerlingen wisselen in duo uit en delen dan met de volledige groep. Welke maatschappelijke thema’s komen er aan bod? Schrijf ze op een flap of op het bord. We komen er later op terug.

kern

2.1. Waarom kies je voor een bank?
Vraag aan de leerlingen waarom ze voor hun bank gekozen hebben. Het is niet belangrijk om te weten bij welke bank de leerlingen klant zijn. Maak klassikaal een woordspin met redenen om voor een bank te kiezen. Bv. omdat mijn ouders klant zijn bij die bank, omdat er een kantoor in het dorp is, omdat de bank betrouwbaarheid uitstraalt, omdat de rente op spaarrekeningen het hoogst is, omdat mijn nonkel er werkt … Kies samen de drie belangrijkste of meest doorslaggevende redenen en duid ze aan met een sterretje. Houd de woordspin bij. We komen er straks op terug.
2.2. Wat doet een bank?
Verdeel de leerlingen in groepjes van vier. Laat de leerlingen de sleepvraag invullen of geef elke groep enkele dikke stiften, een grote flap en de uitgeknipte kaartjes met termen van bijlage 1.
De leerlingen vertellen met behulp van de kaartjes wat een bank doet. Ze mogen pijlen en lijnen tekenen en op de flap schrijven waar nodig. Alle kaartjes moeten gebruikt worden. Het is de bedoeling dat er een coherent verhaal gevormd wordt over de kerntaken van een bank.
PDF
Tip!
Hebben de leerlingen niet voldoende voorkennis om vanuit zichzelf de kerntaken van een bank te vertellen? Toon dan eerst het filmpje
Laat de groepjes hun verhaal vertellen en laat de leerlingen de verschillende flappen  vergelijken. Zorg dat de leerlingen het juiste verhaal meekrijgen (zie bijlage 2: voorbeeldschema) en ga iets dieper in op de termen ‘rente’ en ‘investeren’. 
  • Rente is het bedrag dat je betaalt om geld te lenen, of dat je krijgt als je spaart. Momenteel staat de rente heel laag. 
  • Investeren is een lening geven. Een bank kan een lening geven aan een persoon, bijvoorbeeld om een huis te kopen, maar ook aan een bedrijf. Een bakker heeft misschien een lening nodig om zijn zaak op te starten. Grote bedrijven hebben continu geld van banken nodig voor nieuwe projecten en om te groeien. Een bank investeert in een bedrijf als ze verwacht dat het bedrijf de lening zal kunnen terugbetalen, mét rente. 
Ga kort het gesprek aan met de leerlingen. Banken investeren geld in bedrijven; ze geven  een lening zodat bedrijven kunnen opstarten, groeien of nieuwe projecten kunnen opzetten. Vraag de leerlingen of ze weten waarin hun bank investeert. Kunnen ze dingen opnoemen?
PDF
2.3. Weet jij wat de bank doet met jouw geld?
Toon dan het filmpje ‘Weet jij wat de bank doet met jouw geld?’ (https://www.youtube.com/watch?v=lurZo4p7A4E).

Bespreek met de leerlingen en vat samen: financiële instellingen kunnen jouw geld investeren in wapenhandel, bedrijven die arbeidsrechten schenden, kinderarbeid, milieuvervuiling en klimaatverandering, enzovoort.
Verwijs kort naar de lijst van zaken op wereldvlak waarover de leerlingen verontwaardigd zijn. Peil naar de gevoelens daarrond.

Verken de standpunten van de leerlingen aan de hand van de werkvorm Richtingaanwijzer  Djapo). Leg de leerlingen achtereenvolgens deze stellingen voor:
  • Banken mogen mijn geld investeren in wat ze willen.
  • In ruil voor een hoge rente op mijn spaargeld, word ik klant bij eender welke bank.
  • Banken moeten transparant communiceren over waarin ze ons geld investeren.
  • Het maakt toch niks uit of ik van bank verander.
Geef de leerlingen per stelling wat tijd om na te denken en een mening te formuleren. Ze noteren hun standpunt, startende met 'akkoord' of 'niet akkoord'. Wanneer de antwoorden binnenkomen, sleep jij ze naar de juiste plaats op de schaal. Overloop enkele standpunten en laat de leerlingen mondeling argumenteren. Doel van de oefening is argumenten geven om je standpunt kracht bij te zetten. Geef de leerlingen de kans om na de argumentatie hun mening bij te stellen.

Reflecteer samen met de leerlingen. Vond je het moeilijk om een standpunt in te nemen? Was het moeilijk om argumenten te bedenken voor je standpunt? Hielp het argument van een klasgenoot jou om zijn mening beter te begrijpen?
2.4. Hoe zit het met mijn bank?
De leerlingen nemen (eventueel in duo’s) plaats achter een computer of een tablet en surfen naar www.bankwijzer.be.

Laat de leerlingen even de website verkennen en de ecologische, economische en sociale thema’s waarop de banken gescoord worden ontdekken.
  • Klimaatverandering tegengaan
  • Natuur
  • Mensenrechten
  • Arbeidsrechten
  • Wapens uitsluiten
  • Belasting
  • Verantwoord bonusbeleid
  • Transparantie
  • Corruptie tegengaan
  • Gendergelijkheid
Laat de leerlingen dan hun eigen bank opzoeken. Ze noteren:
  • Iets positief dat hen opvalt;
  • Iets negatief dat hen opvalt;
  • iets dat ze al wisten;
  • iets dat hen verbaasd heeft.
Ga klassikaal in gesprek over de bevindingen op BankWijzer. Stel bijvoorbeeld deze vragen: Wat was goed? Wat viel tegen? Hoe voel je je daarbij? Zou je voor een andere bank gekozen hebben, als je dit geweten had?

Ga terug naar de redenen om een bank te kiezen uit het begin van de les (zie 2.1). Moeten er redenen toegevoegd worden aan de woordspin? Welke redenen worden dan de drie belangrijkste?

Bankwijzer
BankWijzer is een tool van FairFin vzw die iedereen de mogelijkheid biedt om een geïnformeerde keuze over zijn/haar eigen financiële middelen te maken. BankWijzer gaat het investeringsbeleid na van negen banken die actief zijn in België rond verschillende economische, ecologische en sociale thema's. Om te weten of banken hun beleid in de realiteit ook naleven, voert BankWijzer ook onderzoek naar de reële betrokkenheid van banken bij de thema's. Zo wil BankWijzer banken tot meer duurzame investeringskeuzes aanzetten.
2.5. Wat kan ík daaraan doen?

Tip!
Om de transfer te maken naar het aandeel van klanten in het investeringsbeleid van banken, kan je eerder focussen op het abstractere, maatschappelijk proces (zie 2.5.1) of eerder op (de mogelijkheden van) het concretere, persoonlijk aandeel (zie 2.5.2). Je kan beide activiteiten aanbieden, of er één uitkiezen.

PDF
2.5.1. De Routekaart
Leg de leerlingen de artikels van bijlage 3 voor. Verdeel de leerlingen in drie groepen en laat elke groep één artikel lezen. Daarna vatten ze de inhoud bondig aan elkaar samen, zodat iedereen van hetzelfde verhaal vertrekt.

De leerlingen maken dan in hun groepje een Routekaart
Djapo). Met de Routekaart brengen je oorzaken en gevolgen overzichtelijk in kaart en wordt duidelijk dat een oorzaak verschillende gevolgen kan hebben.
PDF
  • Geef elk groepje een werkblad (bijlage 4).
  • Duid de opdracht. Helemaal links staat een stelling uit de artikels: ‘Burgers protesteren tegen de investeringen van BNP Paribas in omstreden detentiecentra in de VS’.
  1. Welke gevolgen kan je bedenken? Noteer die bij de eerste haltes op de routekaart. Bv. ‘De Standaard bericht over de investeringen van BNP Paribas in omstreden detentiecentra.’ 
  2. Welk gevolg komt voort uit het gevolg bij de eerste halte? Noteer dat bij de tweede halte. Bv. ‘Andere media nemen het bericht over.’ Of ‘BNP Paribas herbekijkt haar zakelijke samenwerkingen.’
  3. Denk zo verder over gevolgen van gevolgen. Bv. ‘BNP Paribas zet de samenwerking met GEO Group stop.’ En vervolgens ‘BNP Paribas financiert geen private detentiecentra meer.’ Of ‘Er worden minder mensenrechten geschonden met behulp van ons spaargeld.’ Laat de leerlingen beargumenteren waarom ze aan dat gevolg denken. Er bestaan tal van mogelijkheden.
  4. Duid met rood de negatieve gevolgen aan. Duid met groen de positieve gevolgen aan. Zet een uitroepteken bij de gevolgen die je niet verwacht had.
  • Je vindt een voorbeeld van een routekaart in bijlage 5. Let op: dit is slechts één van de vele mogelijke routekaarten!
  • Bespreek de routekaarten klassikaal. Zijn er grote verschillen tussen de routekaarten van de groepjes? Welke conclusies trekken de leerlingen?
PDF
2.5.2. Druppeleffect
Ga gezamenlijk aan de slag met de werkvorm DruppeleffectDjapo), zodat de leerlingen de impact van hun eigen beslissingen kunnen verkennen. Met Druppeleffect krijgen leerlingen inzicht in een niet-rechtlijnige oorzaken-gevolgenketting.
  • Vertrek van een gebeurtenis die het eigen aandeel in het beleid van banken duidt, bv. ‘ik kies voor een bank die mijn geld op een duurzame en eerlijke manier investeert’.
  • Toon de vier concentrische cirkels. In de middelste cirkel schrijf je de gekozen gebeurtenis.
  • Laat de leerlingen zien wat er gebeurt als een druppel in een plas water valt. Rond de druppel ontstaan kringen in het water die steeds verder uitdijen. De concentrische cirkels op het bord stellen de kringen in het water voor.
  • Bespreek: wat kan een gevolg zijn van de middelste gebeurtenis? Laat een zin maken met ‘Als … dan …’. Schrijf het gevolg in de tweede cirkel. Bv. ‘Er kan minder geld naar de fossiele brandstoffenindustrie stromen’ of ‘Ik inspireer andere mensen om ook van bank te veranderen’.
  • Denk verder na over een gevolg van die tweede gebeurtenis, opnieuw in een ‘Als … dan …’ zin. Dat gevolg schrijf je in de derde cirkel. Bv. ‘De bank verliest klanten.’ En bijgevolg: ‘De bank past haar investeringsbeleid aan.’ Enzovoort. Trek eventueel pijlen tussen de oorzaken en gevolgen.
  • Reflecteer: kan een individuele keuze een impact hebben? Is deze oefening af? Kan je extra cirkels (blijven) tekenen? Zijn de gevolgen overwegend positief of negatief? Is dit een goede manier om over oorzaken en gevolgen na te denken?
Veranderen van bank
Iedereen kan vrij van bank veranderen. Dat hoeft niet moeilijk te zijn. Met behulp van de Bankoverstapdienst regelen de banken onderling de overzet van je vaste betalingen en het stopzetten van de oude rekening, indien gewenst.


Reflectie

Bespreek met de leerlingen. 

Op het niveau ‘What?’: 
  • Wat heb je geleerd tijdens deze les?
  • Wat heb je ervaren?
  • Wat neem je mee?
Op het niveau ‘So what?’: 
  • Wat wist je nog niet? Wat heeft je verbaasd?
  • Welke betekenis heeft dit voor jou?
  • Hoe voel je je daarbij?
Op het niveau ‘Now what?’: 
  • Ga je wat je vandaag geleerd hebt gebruiken? Hoe? Waar?
  • Ben je van plan om acties te verbinden aan wat je vandaag geleerd hebt? Welke?

Nieuwe kop