lesson plan

Het Leven van Jezus: Macht, Woord en Symboliek

Ready to use this lesson plan? Use the button below to save a copy of this lesson plan in your account. After doing so, you will be able to modify the lessons as you wish.

In deze module onderzoeken leerlingen het leven, de boodschap en de symboliek rondom Jezus Christus, geplaatst in de historische context van het Nieuwe Testament.
Doelgroep:
Leerlingen van de middelbare school, bovenbouw.

Tijdsduur:
6 lessen van 45 minuten.

Inclusief toets.


Burgerschapsdoelen die aan bod komen:
  • Kritisch Denken: Analyse van macht, rechtvaardigheid, ethische lessen en teksten.
  • Zelfbewustzijn: Reflectie op leiderschap, verantwoordelijkheid en persoonlijke betekenis.
  • Respect & Intercultureel Bewustzijn: Begrip van historische context, heilige teksten en symbolen.
  • Maatschappelijke Betrokkenheid: Toepassing van morele lessen en deelname aan rituelen.
  • Sociaal & Cultureel Bewustzijn: Inzicht in gemeenschapsvorming.

Deze lessenserie biedt ook de mogelijkheid voor zelfstandig leren door de leerlingen. Elk onderdeel van de les is ingesproken en beschikbaar gesteld, waardoor leerlingen de les zelfstandig kunnen beluisteren indien gewenst. 

Les 1.  Van Jodendom naar Christendom

Leerdoelen:

  • De leerling weet wie de machthebbers waren over Israël ten tijde van het leven van Jezus.
  • De leerling kan uitleggen waarom de streek Galilea belangrijk is.
  • De leerling begrijpt waarom Jeruzalem, en met name de tempel, zo belangrijk was.
  • De leerling kan de volgende termen uitleggen: Farizeeën, Zeloten, en Essenen.
  • De leerling is in staat om het begrip "God van het verbond" uit te leggen.
  • De leerling weet wat het begrip apocalyptiek inhoudt en hoe dit moet worden geduid.

Inhoud:
  • Israël: Het land waar het Joodse volk leefde. In de tijd van Jezus stond het onder Romeinse heerschappij, maar veel Joden hoopten op vrijheid en herstel van hun eigen koninkrijk.
  • Jeruzalem: De heilige stad van het Joodse volk. Hier stond de tempel en vonden belangrijke religieuze feesten en bijeenkomsten plaats.
  • Tempel: Het religieuze centrum van het jodendom in Jeruzalem. Joden kwamen hier om te bidden en offers te brengen aan God.
  • Galilea: Een belangrijke streek in het noorden van Israël. Veel mensen leefden van landbouw en handel. Jezus groeide op in deze regio en verrichtte er een groot deel van zijn werk.
  • God van het verbond: De naam voor de relatie tussen God en het Joodse volk. Volgens de Bijbel had God een bijzondere overeenkomst (verbond) gesloten met Israël.
  • Farizeeën: Een groep Joodse religieuze leiders die de wet van Mozes nauwkeurig volgden en belangrijk vonden dat mensen zich aan Gods geboden hielden.
  • Zeloten: Een groep Joden die zich verzette tegen de Romeinse overheersing. Zij wilden Israël bevrijden en waren bereid daarvoor te vechten.
  • Essenen: Een groep Joden die zich afzonderde van de samenleving. Zij leefden eenvoudig, bestudeerden de heilige geschriften en verwachtten de komst van de Messias.
  • Judas de Galileeër: Een Joodse leider die in opstand kwam tegen de Romeinen. Hij wordt gezien als een voorbeeld voor latere verzetsgroepen zoals de Zeloten.
  • Apocalyptiek: Een manier van denken over het einde van de huidige wereld en de komst van een nieuwe tijd waarin God recht zal brengen en het kwaad zal verslaan. Veel Joden in de tijd van Jezus leefden met deze verwachting.

Les 2. De Bijbel

Leerdoelen:

  • De leerling weet uit hoeveel boeken de Bijbel bestaat.
  • De leerling kan de twee talen noemen waarin de Bijbel is geschreven.
  • De leerling weet hoeveel Bijbelboeken er zijn.
  • De leerling kan uitleggen waar het Oude Testament en het Nieuwe Testament over gaan.
  • De leerling begrijpt wat de term "familie van Abraham" betekent.

Inhoud:
  • Abraham: Een belangrijke figuur in de Bijbel, bekend als de “vader van vele volken” omdat hij volgens de traditie de voorvader is van veel volkeren.
  • Bijbel: Het heilige boek van christenen, bestaande uit het Oude en het Nieuwe Testament. De Bijbel bestaat in totaal uit 66 boeken en gaat over de relatie tussen God en de mens, met verhalen, wetten, wijsheid en het leven van Jezus Christus.
  • Bijbelboeken: De afzonderlijke boeken waaruit de Bijbel is opgebouwd; samen vormen ze het geheel van 66 boeken.
  • Oude Testament: Het deel van de Bijbel dat gaat over de geschiedenis van het Joodse volk en hun relatie met God.
  • Nieuwe Testament: Het deel van de Bijbel dat gaat over het leven van Jezus van Nazareth en de vroege christelijke kerk.
  • Testament: Een deel van de Bijbel; er zijn twee testamenten: het Oude en het Nieuwe Testament.
  • Hebreeuws: Een van de talen waarin het Oude Testament is geschreven.
  • Vader van vele volken: Een titel voor Abraham, omdat hij volgens de Bijbel de stamvader is van veel volken.
  • Familie van Abraham: De term die verwijst naar alle volken die volgens de Bijbel van Abraham afstammen of verbonden zijn met zijn geloof in God.

Les 3. Jezus en Zijn Bediening

Leerdoelen:

  • De leerling weet wat de naam van Jezus betekent.
  • De leerling kan in grote lijnen het leven van Jezus navertellen.
  • De leerling is in staat om de belangrijkste aspecten uit Zijn leven weer te geven, zoals geboorte, onderwijs, lijden, sterven, en opstanding.
  • De leerling kan uitleggen wat de verwachtingen waren van de mensen in die tijd.
  • De leerling weet hoe Zijn volgelingen worden genoemd.
  • De leerling kan het evangelie van Jezus uitleggen.

Inhoud:
  • Jezus Christus: Een belangrijke figuur in het christendom. Hij werd gezien als de Zoon van God en de beloofde verlosser.
  • Discipelen: De volgelingen van Jezus die zijn onderwijs volgden en zijn boodschap verspreidden.
  • Evangelie: De blijde boodschap over het leven en de leer van Jezus Christus en wat hij betekent voor gelovigen.
  • Jezus’ geboorte: Het begin van het leven van Jezus op aarde, dat christenen vieren met Kerstmis.
  • Jezus’ lijden en sterven: De periode waarin Jezus werd vervolgd, gekruisigd en stierf.
  • Goede Vrijdag: De dag waarop christenen herdenken dat Jezus aan het kruis is gestorven.
  • Jezus’ opstanding: Het geloof dat Jezus op de derde dag na zijn dood weer is opgestaan.
  • Hemelvaart en Pinksteren: Hemelvaart is de dag waarop Jezus naar de hemel ging; Pinksteren is de dag waarop de Heilige Geest over de discipelen kwam.
  • Verwachtingen van mensen: Veel mensen in de tijd van Jezus verwachtten een politieke leider die hen zou bevrijden van de Romeinse overheersing.
  • Jezus de Christus: “Christus” betekent “de gezalfde” en laat zien dat Jezus wordt gezien als de door God gezonden verlosser.
  • Zoon van God: Een titel die aangeeft dat Jezus een unieke en goddelijke relatie met God heeft.


Les 4. Uitspraken van Jezus 

Leerdoelen:
  • De leerling kan uitleggen hoe de belangrijkste toespraak van Jezus Christus heet en wat het doel ervan is.
  • De leerling kan de betekenis van de Zaligsprekingen analyseren en uitleggen wat ze vandaag de dag voor mensen kunnen betekenen.
  • De leerling kan uitleggen wat bedoeld wordt met het “Koninkrijk van God” in de leer van Jezus Christus en dit toepassen op voorbeelden.
  • De leerling kan de “Ik ben”-uitspraken van Jezus Christus uitleggen en analyseren waarom deze belangrijk zijn voor zijn identiteit en boodschap.

Inhoud:
  • Bergrede: De belangrijkste toespraak van Jezus Christus, uitgesproken op een berg, waarin hij zijn visie geeft op ethiek, geloof en het leven van zijn volgelingen.
  • Zaligsprekingen: Uitspraken binnen de Bergrede waarin Jezus mensen “zalig” noemt die nederig, rechtvaardig en vredelievend leven. Ze vormen een kern van zijn morele leer en hebben ook betekenis voor hedendaagse ethische keuzes.
  • Koninkrijk van God: Een centraal begrip in de leer van Jezus Christus dat verwijst naar de heerschappij van God, niet alleen als toekomstige werkelijkheid, maar ook als iets dat zichtbaar wordt in het leven van mensen die volgens Gods wil leven.
  • Ik ben-uitspraken: Uitspraken van Jezus waarin hij zichzelf symbolisch beschrijft (bijvoorbeeld “Ik ben het licht van de wereld”). Deze uitspraken worden gezien als belangrijke aanwijzingen voor zijn identiteit en missie.
  • Messias: De door God gezonden redder die volgens de Joodse verwachting vrede en verlossing zou brengen. Christenen geloven dat Jezus deze Messias is.
  • Parabel: Een symbolisch verhaal dat Jezus gebruikte om complexe geestelijke en morele lessen op een begrijpelijke manier uit te leggen en te verdiepen.
  • Verlossing: Het theologische idee dat mensen bevrijd kunnen worden van zonde en herstel kunnen vinden in hun relatie met God door Jezus Christus.
  • Zonde: Handelingen of houdingen die ingaan tegen Gods wil en de relatie tussen mens en God verstoren.
  • Zoon van God: Een titel voor Jezus die zijn unieke relatie met God en zijn goddelijke status binnen het christelijk geloof aanduidt.

Les 5. Christelijke Symbolen

Leerdoelen:
  • De leerling weet wat het woord "symbool" betekent.
  • De leerling kan de drie belangrijkste kenmerken van een symbool benoemen.
  • De leerling is in staat om het symbool van de Drie-eenheid duidelijk uit te leggen.
  • De leerling herkent andere belangrijke christelijke symbolen en kan deze op de juiste manier uitleggen.


Inhoud:
  • De leerling kan uitleggen wat een symbool is en welke functie symbolen hebben binnen het christendom.
  • De leerling kan de betekenis van de Drie-eenheid uitleggen en het bijbehorende symbool herkennen.
  • De leerling kan uitleggen wat wordt bedoeld met Vader, Zoon en Heilige Geest.
  • De leerling kan belangrijke christelijke symbolen herkennen en hun betekenis verklaren.
  • De leerling kan uitleggen hoe symbolen zoals Alpha en Omega, het Lam van God en het Christus-monogram verwijzen naar Jezus Christus.
  • De leerling kan uitleggen wat brood en wijn symboliseren binnen het christendom.
  • De leerling kan de betekenis van geloof, hoop en liefde uitleggen aan de hand van hun symbolen.


Les 6. Rituelen en Sacramenten

Leerdoelen:
  • De leerling weet wat het begrip "sacrament" betekent.
  • De leerling kan de sacramenten van het christendom benoemen en uitleggen.
  • De leerling is in staat om de verschillen tussen de katholieke sacramenten en de protestantse sacramenten aan te geven.
  • De leerling weet ook waarom die verschillen er zijn.

Inhoud:
  • Ritueel: Een vaste reeks handelingen die op een bepaalde manier worden uitgevoerd, vaak met een religieuze betekenis en bedoeld om geloof te vieren of te versterken.
  • Sacrament: Een heilige handeling in het christendom die wordt gezien als een teken van Gods aanwezigheid en genade in het leven van mensen.
  • Doop: Een sacrament waarbij iemand met water wordt gedoopt als teken dat hij of zij bij de christelijke gemeenschap hoort.
  • Heilige communie (avondmaal): Een sacrament waarbij gelovigen brood en wijn ontvangen als symbool van het lichaam en bloed van Jesus Christ en als herinnering aan zijn leven en dood.
  • Biecht: Een sacrament in de katholieke kerk waarbij iemand zijn zonden belijdt aan een priester en vergeving ontvangt.
  • Huwelijk: Een sacrament waarbij twee mensen hun relatie laten bevestigen binnen het geloof en voor God.
  • Priesterwijding: Een sacrament waarbij iemand wordt gewijd tot priester en een speciale taak in de kerk krijgt.
  • Ziekenzalving: Een sacrament waarbij een zieke persoon wordt gezalfd met olie voor troost, kracht en soms genezing.
  • Katholieke sacramenten: De zeven sacramenten in de katholieke kerk: doop, eucharistie, vormsel, biecht, ziekenzalving, priesterwijding en huwelijk.
  • Protestantse sacramenten: In de meeste protestantse kerken zijn er twee sacramenten: doop en avondmaal.
  • Verschil katholiek en protestants: Katholieken kennen zeven sacramenten omdat zij meer nadruk leggen op kerkelijke traditie en priesters. Protestanten kennen er meestal twee en leggen meer nadruk op de Bijbel.