1.1
Industrialisatie: De overgang naar een samenleving waarin de industrie een belangrijk middel van bestaan is.
Sociale wetten: Wetten waarmee de overheid probeert het leven van voornamelijk arme mensen te verbeteren.
1.2
Liberalen: Politieke groep die vindt dat ieder mens zo veel mogelijk vrijheid moet hebben. De overheid moet zich zo min mogelijk met de samenleving en de economie bemoeien.
Socialisten: Politieke groep die vindt dat ieder mens evenveel kansen moet krijgen. De overheid moet de zwakkeren in de samenleving helpen.
SDAP: Sociaal-Democratische Arbeiders Partij. De grootste socialistische politieke partij.
Algemeen kiesrecht: Iedereen heeft het recht om bij verkiezingen te mogen stemmen.
Vakbond: Organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers.
Emancipatie: Evenveel rechten krijgen als andere groepen in de samenleving.
Feministen: Mensen die streven naar gelijke rechten voor mannen en vrouwen.
Eerste feministische golf: De periode tussen 1880 en 1920 toen er veel actie werd gevoerd voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen.
1.3
Schoolstrijd: Conflict tussen de (liberale) regering en de confessionelen over de vraag of de overheid christelijk onderwijs moet betalen.
ARP: Anti-Revolutionaire Partij. De grootste protestantse politieke partij.
RKSP: Rooms-Katholieke Staats Partij. De grootste katholieke politieke partij.
Confessionelen: Politieke groepen of partijen voor wij hun godsdienst het belangrijkste uitgangspunt is voor hun ideeën.
Verzuiling: Verdeling van de Nederlandse samenleving in vier groepen:
Liberalen, socialisten, katholieken en protestanten. Tussen de groepen was
nauwelijks contact, iedere groep had zijn eigen kranten, politieke partijen,
jeugdclubs en dergelijke.
Pacificatie van 1917: Afspraak tussen de socialisten en de confessionelen. De socialisten hielpen de confessionelen aan een meerderheid om de schoolstrijd op te lossen, in ruil daarvoor stemden de confessionelen voor algemeen kiesrecht.