De Gouden Eeuw
3. Rijk en arm in de Gouden Eeuw
De Gouden Eeuw
3. Rijk en arm in de Gouden Eeuw
Leerdoel
Aan het eind van deze presentatie kun je herkennen en uitleggen waarom de Gouden Eeuw niet voor iedereen rijkdom betekende, terwijl anderen juist erg rijk werden.
In de Gouden Eeuw komt
er meer bevolking in de Republiek
Meer bevolking betekent ook:
Meer ruimte nodig voor huizen, in bijvoorbeeld Amsterdam: uitbreiding met drie brede grachten met grote woonhuizen er langs
Meer voedsel nodig: inpolderen en droogmaken van meren, zoals de Beemster en de Wormer (zorgt ook voor minder overstromingen)
De molengang, uitgevonden door Simon Stevin.
Gebruikt door Jan Adriaanszoon Leeghwater voor het droogleggen van de Beemster
Rijk en arm
Rijk...
Regenten (rijke bestuurders), kooplieden en handelaren
Woonden in grote grachtenpanden ('De Gouden Bocht') in Amsterdam of in grote buitenhuizen (aan de Vecht)
Video
De groei van de Grachtengordel
...en arm
Ambachtslieden en winkeliers: er hoefde maar iets te gebeuren, waardoor ze in de problemen kwamen. Bijvoorbeeld: stijging van broodprijzen
Meer dan de helft van de inwoners van Amsterdam hadden geen vast werk en/of inkomen
In het oosten en noorden van Nederland kwam er nog veel meer armoede voor: mensen leefden vooral als 'kleine' boer. Voor hen leverde de handel niet zo veel op.
Armenzorg
Ongeveer 15% van de Amsterdamse bevolking leefde van de armenzorg
Armenzorg, via: kerk, gilde, de stad en soms rijken
Rasphuis: soort gevangenis waarin je tucht (=discipline en gehoorzaamheid) werd bijgebracht, door hard te werken
Begrippen uit deze les
De Beemster
droogmakerij
molengang
De Gouden Bocht
buitenhuizen
armenzorg
rasphuis
Personen uit deze les
Jan Leeghwater
Jaartallen uit deze les
1612: droogmakerij van de Beemster is compleet
1613: Amsterdam wordt uitgebreid met drie grachten
Schrijf 3 dingen op die
je deze les hebt geleerd
Stel 1 vraag over iets dat je
deze les nog niet zo goed hebt begrepen